Op m’n werk
als tolk Engels
spreek ik veel mensen die
proberen Nederlands te leren.
Maar dat is niet eenvoudig;
zodra Nederlanders een accent bespeuren,
gaan ze verder in het Engels.
Dat lijkt heel handig en gastvrij,
maar na een jaar of wat
begint het te vervelen:
beleefde gesprekken in het Engels
en grappen in het Nederlands.
Daarmee sluiten we de expats
ook een beetje uit.
Dus blijf ik gewoon Nederlands praten
als de bediening Engels spreekt.
Rustig aan en vriendelijk,
tot nog toe gaat dat prima.
De nieuwe expat-medewerker
bij de broodafdeling in de supermarkt
heeft er een beetje moeite mee;
ze moet ontdekken welke van de tien
voor haar volstrekt identieke broden
nou eigenlijk ‘fijn volkoren’ is.
Desondanks blijf ik rustig,
ze doet zo haar best.
Als ik wegloop met m’n broodje,
kijkt ze me na en voel ik haar denken:
voor iemand die geen Engels spreekt,
is ze wel een beetje jong.








