Noodweer

Ik zie mezelf niet als een doetje,
maar voor vandaag is noodweer aangekondigd.
Teleurgesteld leg ik m’n regenkleding klaar,
dan maar met het OV naar m’n klus.

Tegen de tijd dat ik moet vertrekken,
ziet het er niet zo goed uit.
Moet ik eigenlijk wel gaan?
Moet een mens dit willen?

Ik bel naar m’n opdrachtgever,
maar niemand heeft afgezegd,
oftewel: het gaat door.
M’n paraplu laat ik staan;
als ik die meeneem, vlieg ik straks
als Mary Poppins door de lucht.

Gelukkig wacht de bus nog even
als ik een sprintje trek,
zodat ik niet helemaal doorweekt
op het station aankom.
Daar heerst een akelige sfeer,
weinig mensen, weinig haast,
in de galmende hal
gaan alle telefoons opeens af:
Amber Alert.

De trein staat stil,
de metro rijdt nog.

Na één halte wordt er omgeroepen:
beste reizigers,
de trams stoppen ermee
en de metro rijdt ‘nog even’.

Ik troost mezelf met de gedachte
dat ik onder de grond
veiliger ben dan wie dan ook.
Toch voelt het een beetje anders.

Ik maak een inschatting
van de mensen om mij heen:
zullen wij straks met elkaar
een band op gaan bouwen?
Iedereen draagt een regenjas,
een rugzak
of iets handigs met een capuchon…
of nee, kijk toch! Twee Britten!

Hoe ik ze op afstand herken?
Ze zijn de enigen in pak,
de enigen zonder jas,
de enigen met een paraplu.
Ze staan daar op hun dooie gemak
met elkaar te kletsen.

Ze hebben nog net geen badges op
met de woorden carry on.