
Achttien waren we en hartsvriendinnen.
Vol enthousiasme kwamen we naar de stad.
Zij stapte in de tram en vroeg aan de bestuurder:
“Meneer, komt u langs de Albert Cuyp?”
Het antwoord had je in geen andere stad kunnen krijgen:
“Nah wijffie, voor jah rijd-ik om!”
We zijn inmiddels vele jaren verder
en ik moet op de gracht zijn voor een klus.
Het regent bakken uit de hemel,
maar met de auto gaan komt niet bij me op.
De grachten zijn voor de auto slecht bereikbaar;
als je hartje centrum moet zijn, neem je het OV.
Hoe is een mens in de regen een dame?
Ik jongleer op hakken met een te grote paraplu
in een jas die geen spatje water kan hebben,
dan nog een werkkoffer, een telefoon, een OV-pas…
Ik ben op de trein aangewezen,
want de metro ligt er even uit.
Hoe Amsterdams wil je het hebben?
Al klungelend drop ik m’n OV-pas
tussen het perron en de rails.
Het lukt me om,
als een heuse zwartrijder
in iemands kielzog het station uit te komen.
Vanaf dan wordt het kaartjes kopen bij de automaat.
Op de terugweg, bij de bus, vraag ik de chauffeur om een kaartje.
“Waar moet je zijn?” vraagt hij, en ik zeg waar ik woon.
Hij zegt: “Zes vijftig, da’s wel een hoop geld voor zo’n ritje,
daar kun je voor Kerstmis ook iets lekkers voor kopen!”
Vermanend gaat hij verder: “Hebbie geen kaart?”
Ik vertel dat ik m’n pas heb verloren.
O ja, nou ja, dat begrijpt hij dan wel weer.
Als ik het kaartje in m’n portemonnee wil gaan stoppen,
klinkt het: “Vergeet je niet om in te checken?
Anders wordt het wel een héél duur ritje!”
Ik moet lachen bij de gedachte;
zijn stem voelt als een aai over m’n bol.