Marathon

Het is rustig op m’n hardlooproute.
Begrijpelijk; het regent niet,
maar stervenskoud is het wel.

Als ik stilsta om te rekken,
rent er een meisje voorbij.
Onopvallend in het zwart gekleed,
soepeltjes lopend, niet te snel,
achter haar een jongen en een meisje op de fiets.
Ze praten een heel klein beetje met z’n drieën.

Zo terloops als het eruitziet,
zo serieus zal het zijn.
Ik bedoel, welke hardloper heeft er nou
twee man fietsbegeleiding?
Zou dit de afgelaste marathon zijn?
Ik bedoel: ze trainde voor de marathon
maar die ging niet door,
dus nu loopt ze hem zelf, alsnog?
Hoe dan ook, dit meisje is
zo onopvallend mogelijk
een persoonlijk record aan het vestigen.

Langs haar route kijkend
zie ik vijftig meter verderop
midden in het boerenlandschap
een grote tros ballonnen langs de weg,
hoog gehouden door een groepje meiden.
Ze houden kartonnen borden in de lucht
met allerlei teksten erop.
Zodra ze de hardloopster door de bocht zien komen,
beginnen ze te roepen.

Supporters hebben me nog nooit ontroerd,
maar deze meiden, zo plotseling,
in deze stervenskou
in deze middle of nowhere…

“O jee”, zegt het meisje,
“dit is zo lief,
dat ik er bijna van ga huilen.”

Voor de zekerheid kijk ik ook maar
eventjes een andere kant op.

Tevergeefs.

Kwijt

Het is een belachelijk drukke week,
vandaag tolk ik bij een notaris.
Na de afspraak loopt iedereen de spreekkamer uit.
Ik blijf achter,
maak m’n apparatuur schoon,
kijk eens om me heen.
Sinds Corona heeft de notaris
lego in de spreekkamer staan
voor de kinderen die meekomen
omdat er voor hen geen opvang is.
De lego ligt door de hele kamer,
het is niet mijn taak maar toch;
als m’n apparatuur schoon is, ruim ik de lego op.
We doen toch met z’n allen ons best
om het hier voor iedereen
een fijne plek te maken.
Terwijl ik m’n best sta te doen
om de lego zo uitdagend mogelijk
voor het volgende kind te etaleren,
voel ik opeens allerlei ogen prikken.
Tot m’n schrik is de volgende afspraak er al,
een afspraak waarbij ik niet nodig ben.
Iedereen zit te wachten tot ik ga.
Met gloeiende wangen ren ik naar buiten,
mijn god, wat een blunder!
Hoe heb ik de tijd zo kunnen vergeten?
Zoeken naar de auto.
Waar heb ik dat ding toch neergezet?
Rustig probeer ik in gedachten
te visualiseren hoe ik parkeerde.
Waar stond ik?
Hoe zag het eruit?
Langzaam begin ik te beseffen
dat ik die auto niet ga vinden,
ik ben gestresst, ik moet weg,
maar ik heb geen idee hoe ik hier kwam.
“Schat, ik ben de auto kwijt.”
Hoe ga ik dit aan mijn man vertellen?
Als ik in paniek in mijn tas graai
naar mijn telefoon,
die ik vast ook wel kwijt zal zijn,
voel ik plotseling een arm om me heen.
“Wakker worden, het ontbijt staat klaar!”

Als ik van de schrik bekomen ben,
staat mijn man op eenzame hoogte.
Nog nooit heeft hij me zo
van de ondergang gered.