
Ik doe boodschappen in het dorp
waar mijn moeder is opgegroeid.
Dat betekent dat je geduld moet hebben
en in moet zijn voor een praatje;
in een dorp gaan dingen anders.
In de supermarkt komt een oude man op me af.
Hij zegt hallo en kijkt me aan
met een vragende blik.
Omdat zijn overtuiging mij de indruk geeft
dat ik hem zou moeten kennen,
en omdat je daarmee in een dorp
maar niet voorzichtig genoeg kan zijn,
help ik hem maar gauw uit de brand
en vertel van wie ik de dochter ben.
Er gaat maar vaag een lichtje branden.
Omdat ik vermoed dat hij zich op zijn leeftijd
wel rot zal voelen dat hij het allemaal niet meer weet,
zeg ik: “Sorry, ik ben je naam vergeten.”
Hij noemt een naam die ik me niet herinner,
dus om het niet te ongemakkelijk te maken,
vraag ik meteen: “Hoe is het nu met jou?”
Nou ja, goed, hij gaat verhuizen.
Hij heeft een vriendin in een ander dorp nu,
maar zij kan niet autorijden.
Dus gaat hij, op z’n 86e,
verhuizen naar een ander dorp.
Het is een hele stap.
Ik feliciteer hem, wat ontzettend leuk!
En ik help hem nog even de verkoopster te roepen,
zodat hij zijn tulpen af kan rekenen.
Ik wens hem succes met de verhuizing
en ga maar weer een keer op huis aan.
Op de fiets terug vraag ik me af
wie van ons tweeën
het eerst door had
dat hij met een vreemde
heeft gepraat.
