Afval

Na de eerste week
van onze vakantie in Frankrijk
vertrekken we naar
een volgende plek.
Aan mij de schone taak
om het afval te scheiden.
Er staan verschillende containers
in allerlei kleuren
en overal staat
op z’n Frans aangegeven
wat waarvoor bedoeld is.
De informatie is heel duidelijk,
duidelijk bedoeld,
en omdat we in Frankrijk zijn,
moet de informatie
natuurlijk ook gedetailleerd zijn
én volledig.
Na een hele hoop lezen
en kijken naar plaatjes,
heb ik het helemaal door.
Natuurlijk! Logisch.

Op onze volgende plek
hebben we opnieuw
zo’n relatief keurig
afvalparkje.
Ja, nu ken ik de logica!
Dát is voor verpakkingen,
dát is restafval
en die container daar
is voor de plastic flessen.

Als we weggaan,
hebben we natuurlijk
iets meer afval,
plus de wijnfles van
onze laatste avond.
Ik kijk eens even
voorzichtig rond.
Waar willen ze hier
dat ik het glas doe?

Als ik ga lezen, blijkt dit
een ander departement,
met dezelfde containers
voor verschillende dingen.
Mijn verpakkingen van deze week
zitten bij het restafval
en de hele week
heb ik onze plastic flessen
in volle overtuiging
in de glasbak gegooid.

Hitte

Het is warm in de stad;
wat zal ik doen?
Toch maar met de fiets gaan?

Misschien moest ik het
maar niet onderschatten;
ik ga met het OV,
ondanks dat ik met
lijn 5 moet.

Lijn 5 is eigenlijk net niet wat je wil
– ik begrijp dat ik verwend ben –
maar lijn 5 gaat net niet vaak genoeg
en je hebt het er in de winter altijd koud
omdat er veel deuren in zitten
die overal opengaan.

Maar zou dat niet
in de hitte
fijn kunnen zijn?

Vooruit, ik neem lijn 5
en blijf zo stil mogelijk zitten.
Adem in, adem uit,
bij elke halte wordt het warmer.
Ik vrees dat dit warmer is
dan de fiets,
maar niet zeuren, blijf ademen,
je doet enorm verstandig.

Als we er bijna zijn
loop ik om tijd te besparen
langzaam de tram door
naar de achterste uitgang.

Bij de tweede wagon
daalt de weldaad van een airco
op mijn schouders neer.

Bijvangst

Tijdens mijn sup-tochtje
in de vroege ochtend
zie ik een paar vissers
in de verte.

Hun bootje ligt precies
op mijn optimale vaarlijn;
in de luwte, aan de rand.

Als ik daar
ruim voorlangs moet,
vanwege de hengels en dobbers,
grijpt de wind mij ongetwijfeld
en lig ik zo aan de andere kant
van het meer,
daar waar ik niet wil zijn.

Gelukkig blijkt er nog wat ruimte,
precies tussen hun bootje
en het riet.
Pas als ik op twee meter ben
krijgt een van de heren op leeftijd
mij en m’n sup in de gaten.
Hij geeft zijn maat een por en zegt:
“Pak jij het schepnet?
We hebben beet.”