
Tijdens mijn sup-tochtje
in de vroege ochtend
zie ik een paar vissers
in de verte.
Hun bootje ligt precies
op mijn optimale vaarlijn;
in de luwte, aan de rand.
Als ik daar
ruim voorlangs moet,
vanwege de hengels en dobbers,
grijpt de wind mij ongetwijfeld
en lig ik zo aan de andere kant
van het meer,
daar waar ik niet wil zijn.
Gelukkig blijkt er nog wat ruimte,
precies tussen hun bootje
en het riet.
Pas als ik op twee meter ben
krijgt een van de heren op leeftijd
mij en m’n sup in de gaten.
Hij geeft zijn maat een por en zegt:
“Pak jij het schepnet?
We hebben beet.”