
Het blijft een voorrecht
om te werken in de stad
waar je ook hebt gestudeerd.
Helemaal als je af ten toe
met je laptop
in een koffietent
mag zitten werken.
Maar vandaag heb ik geen zin
om m’n fiets in de parkeergarage
of in een afgebakende witte rechthoek
in plaats van aan een paal te zetten.
Alsof de straat opeens een schoolplein is
waar wordt geheerst en verdeeld.
Toch wil ik ook geen boomer zijn,
die denkt dat alles nog als vroeger is;
ik parkeer mijn fiets in het vak in de rij.
In het hippe koffietentje
draaien ze – misschien met opzet –
muziek waar je net niet bij kunt werken.
Dan maar naar mijn stamkroeg,
al kom ik er niet vaak genoeg
om hem zo te mogen noemen.
Ik ga zitten aan het tafeltje
naast dat van een oude dame
die ik al vaker heb gezien.
Ze is tot in de puntjes verzorgd;
met make-up op en al
zit ze te lezen.
Dan vouwt ze de krant op
en begint verrassend doeltreffend
te meppen naar een wesp
bij mij voor het raam.
Alsof ik bij haar thuis
aan de keukentafel zit.
Dan rekent ze af
en is verdwenen.
Twee tafeltjes verder
zit een man met een vrouw.
Bij elke naam
die de man laat vallen,
zegt de vrouw:
“Maar woonde die dan in Zuid?”
Ik mis de mevrouw
met de vliegenmepper
nu al.
Tijd om te gaan.
Vol trots haal ik
– Amsterdammer van nu –
mijn fiets van zijn plek,
netjes binnen de lijntjes.
Per ongeluk stoot ik
tegen de fiets naast de mijne.
Het domino-effect dat daarop volgt
speelt zich godzijdank
alleen maar af
in mijn hoofd.