Op reis

– “Hey, ga jij óók naar Schiphol?”
Vrolijk wijst hij naar mijn koffertje op het perron.
– “Nee,” zeg ik, “dit is mijn werkkoffer,
m’n rijdende kantoor.
Ga jij vliegen vandaag, zo zonder bagage?”
– “Ja…”, zegt hij,”ik ga naar Londen.”
– “Zomaar, voor een dagje? Wat leuk!”
– “Zeker! Wat voor werk doe jij?”
– “Ik ben tolk.”
Dat vindt hij eigenlijk
té cool om waar te zijn:
“O ja? In welke taal dan?”
Hij bluft iets in zijn beste Engels
om te horen hoe ik terugpraat.
Geïnteresseerd stelt hij nog wat
verkapte vragen
om te kijken of ik
de waarheid wel spreek.
Vriendelijk en geduldig
geef ik antwoord.

We gaan weer verder
met onze telefoons.
Uit mijn ooghoek zie ik
even later
hoe hij het perron oversteekt
en de trein in stapt
naar Utrecht.

Lunch

Op het terras
met een vriendin.
Zij heeft een
nogal stevige
lactose-intolerantie.
We bekijken
de lunchkaart
en vragen of
de tonijnsalade
zonder room is?
Het meisje
dat ons bedient,
gaat het meteen vragen.

“Ja hoor, de tonijnsalade
is zonder room, met mayonaise.”
Mijn vriendin bestelt tonijnsalade
en ik een broodje zalm.
“Mag ik erbij schrijven
wat uw situatie is?”

Al die verschillende
dieetwensen,
je moet het als kok
maar zien te doen.

Even later
zet een jongen
vol bravoure
de bestelling
voor ons neer:
“Dames, kijkt u eens:
een lactosevrij
broodje zalm
en een heerlijke
tonijnsalade.”

Met een
bedenkelijke blik,
hebben we hem
beleefd bedankt.
Pas toen hij weg was
hebben we
met een grote glimlach
ieder ons bordje leeggeten.

Juf

Op de markt
bij de kaasboer
bestel ik
anderhalf pond kaas.

De vorige keer
heeft de verkoopster
mij uitstekend geholpen.
Maar nu komt ze
niet in beweging.
In plaats daarvan
kijkt ze me aan
door haar stevige bril:
– “Deze soort is wel extra
gevoelig voor schimmels.
Dat wil ik u
wel meegeven.”

Ik zeg dat dat wel goedkomt
en blijf bij mijn bestelling.
– “Ja sorry”, zegt ze,
ik heb lang voor de klas gestaan.”
– “Geen probleem,” zeg ik,
“uw advies is welkom.
Daarvoor kom ik immers
naar de specialist.”
– “Maar ze vinden dat ik juffig ben.”
– “Nee hoor mevrouw, dat valt wel mee.”
– “Ja, maar op verjaardagen en zo,
zeggen ze het wel.”

Ik haal diep adem:
“Als iemand advies juffig vindt,
ligt het wellicht
aan het humeur
van de ontvanger?”

– “Nee hoor, weet u?”
legt ze uit,
“ik denk dat ze het doen
om me een beetje te plagen.”

 

Opticien

Omdat ik toe ben
aan een computerbril,
vraag ik een vriendin
naar een goede optometrist.

Als ik de winkel
binnenkom,
word ik begroet
door een bezige meneer
die een beetje naar beneden kijkt.

Zijn stem gaat sneller
dan mijn ogen kunnen zien;
tijdens het testen
moet ik een paar keer vragen
of hij de opties
kan herhalen.
Wat is beter:
optie één…
…of twee?

Na een beetje rekenen
geeft hij mij
een voorbeeldbril
met de gewenste sterkte erin.

Hij gaat
op computerafstand
tegenover me zitten
en vraagt:
“Hoe is dit?”

Haarscherp zie ik
op zijn neus
mee-eters zitten
die ik nog niet had gezien.

Check.
Goeie optometrist.

Wachtkamer

De dokter loopt uit vandaag.
We zitten nog
met z’n drieën
in de wachtkamer.

De andere twee
zijn een stel.
Ze komen uit het buitenland.
Om de tijd
een beetje te doden
begin ik een praatje.

Meneer spreekt uitvoerig met me.
Maar mevrouw zwijgt.
Toch lijkt ze niet verlegen;
ze heeft uitbundige
en superhippe
gouden kleppertjes aan,
die haar jaloersmakend goed staan.

Omwille van het evenwicht,
probeer ik ook met mevrouw in gesprek te komen.
Als we even hebben gezwegen,
zeg ik, in volle overtuiging:
“I love your shoes.”

Ogenblikkelijk krijg ik antwoord;
meneer zegt: “Thank you.”

Taxi

Ik: “Goedemorgen, kan ik bij u een taxi bestellen voor Schiphol?”
Hij: “Natuurlijk, wanneer moet hij bij u zijn?”
– “Morgenochtend om kwart voor vier”
– “Is goed, en wat is het adres?
– “In de Dorpsstraat graag. En wat zijn de kosten?”
– “Vijftig euro”
– “Dank u. Heb ik het nou duidelijk gezegd? Morgenochtend, kwart voor vier, Dorpsstraat.”
– “Ja hoor, staat genoteerd.”
– “Wacht even, had ik u nou al gevraagd wat het kost?”
– [keiharde schaterlach] “Vijftig euro mevrouw. Komt goed. Fijne vakantie!”

Dagje uit

In een Amsterdamse kroeg
zit ik te werken.
Twee dametjes op leeftijd
strijken neer.

Na een tijdje ruik ik vuur,
staat mijn haar in de fik?
Het blijkt het sjaaltje van een van de dames;
ze heeft ‘m op het waxinelichtje gelegd.

Verschrikt haalt ze haar sjaal van het glaasje:
“Je verwacht toch niet
dat ze hier kaarsjes branden?”
Na een tijdje zitten
zwaait de ander met haar arm:
“Joehoe!
Is het hier zelfbediening?”
Al gauw komt er iemand
naar ze toe.

Als begroeting krijgt hij een veeg uit de pan:
“Ik wil flammkoe-eegen,
want dát is hoe je het uitspreekt.”
Wat volgt is een onnavolgbare preek
over waar de flammkuchen precies vandaan komt.
De bediening ondergaat het gelaten;
natuurlijk hebben de dames gelijk.

“Ze hebben er ook
totaal geen verstand van”
klinkt het als de bediening
weer is vertrokken.
Gelukkig komt het eten snel.
Even later hoor ik:
“Jeetje, wat is het hier gezellig”
“En allerlei mensen, zo divers”
“Die zongedroogde tomaatjes,
die moet je eens proeven!”
Iedereen is leuker
met een volle maag.

Zittend achter mijn laptop
hoor ik:
“Zie je, er zit hier zelfs iemand te werken!”
en ik voel
hoe mijn hart
voor ze open gaat.

Klusser

Mijn man en ik
helpen een dagje
klussen bij vrienden.
We zijn met veel mensen;
ik ken lang niet iedereen.
We worden in groepjes ingedeeld,
het is een heerlijke dag.
Ergens op de gang
hoor ik een flard van een onderonsje:
“…aardige vent,
maar hij dóet geen bal!”

Zorgeloos loop ik verder,
geniet van de zon,
laat mijn handen bewegen
en maak praatjes met iedereen.

Die middag kom ik iemand tegen
die mij nog niet was opgevallen.
Hij loopt met een kruiwagen rond,
zomaar ergens
over het terrein.
“Hallo,” begroet ik hem vrolijk,
“Wat ben jij aan het doen?”

“Ja”, zegt hij,
“ik verstop me een beetje.
Maar eigenlijk hoor ik
bij dat groepje daar.”

Groen

Hoe zorg je als volwassene
dat je, alsjeblieft,
niet zo irritant doet
tegen pubers?

Naast me bij het stoplicht
staat een jongen.
Vermoedelijk een jaar of 14,
volledig verdiept in zijn telefoon.
Het stoplicht springt op groen,
maar hij komt niet in beweging.
Ik aarzel, het zijn mijn zaken niet;
zelf moet ik een andere kant op
en voor mij is het nog rood.

Het lukt me niet
om te zwijgen.
Ik bedoel: te lullig toch?
Hij heeft ook een drukke dag,
hij heeft het gewoon niet door,
ik kan hem toch wel helpen.

Voorzichtig zeg ik:
“’t Is groen.”

Tegen de tijd
dat hij opkijkt
staat het stoplicht
weer op rood.

Zie je wel,
boomer.

Menu

Op vakantie
in een dorp in Spanje.
Het is de dag van de vrouw
en etenstijd.

Op het bord voor de deur
van het restaurant
lees ik het menu:

voorgerecht
hoofdgerecht
iets te drinken
toetje & koffie

Zo. Dan ben je als kok maar meteen
van alle gezeur verlost.
Als moeder kan ik me er
goed in vinden.
Welke moeder heeft er geen hekel
aan de vraag
wat eten we vandaag?

We strijken neer op het terras
en bestellen het menu.

Binnen, in hetzelfde restaurant
is er een evenement gaande:
vrouwen uit het dorp
komen hier vandaag eten
ter viering van
vrouwendag.

Terwijl wij stilletjes
genieten
van een heerlijke paella,
druppelen de vrouwen
bij ons langs
op weg naar de ingang.

Volgens goed
plattelandsgebruik
groeten ze ons
en wensen ons smakelijk eten.

De voor het diner
zo belangrijke vraag
durven ze niet te stellen.
In plaats daarvan
werpen ze allemaal
een steelse blik
op ons bord.