Echt?

Vroeger zeiden mensen wel eens:
als je samenwoont
en kinderen hebt
en het goed wil regelen,
maar zonder gedoe,
zonder feest
en zonder notariskosten,
trouw dan
op maandagochtend.
Om 09.00 uur is het gratis.

Maar inmiddels
hebben we ook
het geregistreerd partnerschap.
En het zal allemaal vast niet meer gratis zijn.
Gratis is lang geleden.

Maandagochtend,
m’n week begint.
Altijd even een moment
om in m’n ogen te wrijven.
Gelukkig moet ik op de fiets
naar een opdrachtgever in de stad.
Dan kan ik warmdraaien.

Na een mooie groene route
kom ik langs de RAI.
Bij het stadsloket
staan al vrij veel fietsen.
Fijn
– zeg ik op dit punt
altijd tegen mezelf –
deze mensen gaan aan het werk,
net als ik.

Twintig meter verder
komen een paar onopvallende
fietsers me tegemoet.
Ze nemen het kruispunt
op z’n Amsterdams:
tegen het verkeer in
zonder dat het opvalt.

Ze zijn me al bijna voorbij
als ik zie dat een meisje
in het gezelschap
een bosje bloemen
in haar mandje heeft.
Ook is er een iets oudere man bij
die voelbaar zit te stralen.

Aan een van de bagagedragers
zit een touwtje vastgemaakt
met wat lege blikjes eraan
die ratelen over straat.

Gehaktbal

Wie denkt dat ik
de Amsterdamse drukte
op het fietspad
vervelend vind,
heeft het helemaal mis;
je komt er allerlei
mensen tegen.

In een kluwen
voor het stoplicht
valt me op
dat een lange dertiger
wel heel erg lang
aan het woord is.
Tegen wie zou hij het hebben?

Ze blijkt naast hem te staan
en kijkt voor zich uit.

Tweehonderd meter verder
kijkt hij opeens geïrriteerd.
Jawel, hij heeft in de gaten
dat hij inmiddels helemaal
en volledig wordt genegeerd.

Ik denk: nu gaat het gebeuren.
Hij zegt iets liefs tegen haar,
of misschien stelt hij een vraag?
Geef me alsjeblieft een reden
waarom ze naast hem fietst.

Zij slaat rechtsaf
en wil doorfietsen,
maar hij rijdt
regelrecht
en zodat iedereen het ziet
vanuit de kluwen
midden de stoep op.
Zittend op het zadel
blijft hij stilstaan
met zijn voeten aan de grond.
Zijn hand zoekt naar
zijn telefoon.

Hij wenkt haar niet
en vraagt of ze wil wachten.
Hij zegt ook geen sorry,
m’n telefoon gaat.
Hij roept naar haar:

“Ik word gebeld.”

 

Weg

Het is tijd
om oude kleren
eindelijk eens weg te doen.
M’n kast puilt uit.

Het is iets
waar ik niet goed in ben.
En ik voel me schuldig.

Ik bedoel: het past,
het houdt me warm,
die kleren zijn niet anders dan
een paar jaar geleden.

Oké, toegegeven:
ikzelf ben wél een beetje anders
en die kleren zijn
’n beetje versleten
en uit de mode.

En hier en daar
een pijnlijke miskoop,
waarvan ik al jaren hoop
dat ik alsnog
gelijk krijg.

Wat bezielde mij
toen ik deze kleding kocht?
Ik durf
mijn eigen koopgedrag
nauwelijks
onder ogen te zien.

Maar vandaag ga ik het doen.

Een uur later
zet ik vol trots
een hele halve vuilniszak
vol met oude kleren
bij de deur.
Ik heb mijn verlies geaccepteerd
en kan opgelucht ademhalen.

Als mijn man van werk komt,
vraagt hij of
hij ‘die ene vuilniszak’
meteen even weg zal brengen?

Als ik zeg
dat het oude kleren zijn,
die naar de textielbak moeten,
mompelt hij
terwijl hij wegwandelt,
nietsvermoedend:
“Zonde”

Mist

Mijn skibril
heb ik ooit
in een wintersportoord gekocht.
Het was de enige
in de winkel
die over mijn
gewone bril
heen paste.
 
Na verloop van tijd
kwam ik erachter
dat het glas
van deze skibril
het beste is
dat ik ooit heb gehad.
Bij mist zie ik altijd
net iets meer
– lijkt het –
dan anderen.
 
Inmiddels is hij
heel oud;
het schuimrubber
valt als zwarte sneeuw
voor m’n ogen,
de antifog is uitgewerkt,
maar het dubbele glas is nog perfect.
Ik besluit de laatste stukjes schuimrubber
maar gewoon weg te halen
en het er nog een weekje
mee te doen.
 
Dag drie.
Mist en sneeuw.
Maar ik en m’n skibril
hebben er zin in!
 
Na een paar pistes
zoeken
en rondwaren
van paaltje
naar paaltje,
vind ik mezelf
toch wel een beetje
heel erg
langzaam gaan.
 
Ik zet mijn skibril af,
zou er toch iets mee zijn?
Maar dat helpt niks.
Anderen zien er
ook niets raars aan.
 
Als ik mijn skibril
terugkrijg,
valt me op
dat de persoon
die ‘m teruggeeft
ook zo wazig is.
 
Hoe lang ik al zo rondski
weet ik niet,
maar m’n gewone bril
is compleet beslagen.

 

Koffer

Altijd als ik
met het OV reis,
heb ik een te grote, te zware rolkoffer
met daarin m’n kantoor voor die dag.

Vandaag is zo’n OV-dag.
De avond ervoor
pak ik m’n koffer.
Laat ik dat nou
in het nieuwe jaar
eens een keertje handig doen?

Tot m’n stomme verbazing
is m’n koffer
voor minder dan tweederde vol.
Ik til ‘m op:
superlicht!
Dit wordt echt
een nieuw tijdperk.
Wat een verademing!

Op de dag zelf
kijk ik bij het ontbijt
nog even naar de weersverwachting.
Dat valt tegen;
vanmiddag wordt het koud
en de kans op regen
is groter dan ik dacht.
Ik grijp een warme sjaal,
een paraplu
en weet je wat?
Laat ik nou eindelijk een keer
m’n eigen herbruikbare beker meenemen.
Trouwens, de terugreis is
meer dan een uur.
Waar had ik
m’n e-reader gelegd?

Tegen de tijd dat ik –
dolgelukkig,
vol zin in de dag
en precies op tijd –
m’n koffer
over de drempel til,
voelt hij weer net zo zwaar
als vroeger.

Ach, vandaag ga ik genieten.
Morgen weer
een nieuwe kans.

Lit

Op de fiets
naar mijn werk
word ik zoevend ingehaald
door een gast
met een enorm coole blik
op een opgevoerde e-bike.

Ik heb het nakijken
op m’n ouderwetse barrel,
hij is onbereikbaar
met zijn over-ear koptelefoon
met noise cancelling
en zijn strakke skinny jeans.

Op het moment dat we
door een godstoeval
alsnog voor hetzelfde
rode licht belanden,
blijf ik veilig
achter hem staan
zodat zijn minachtende blik
mij niet meer kan raken.

Als ik heel even
langs hem heen
naar het stoplicht
durf te kijken,
zie ik het bonnetje
van de winkel
achterop zijn broek.

Nieuw

De schilderles van vandaag
gaat over kleuren.

Ik heb me aangemeld
juist omdat ik mezelf
niet van enig talent verdenk;
ik wil iets nieuws doen.

De eerste opdracht is
kleuren mengen.
Het zijn er maar een paar.
Toch ben ik er dik twee uur
mee bezig.

De volgende opdracht is:
schilder een gezicht.
Voor mij is dat
te hoog gegrepen.
Daarom wordt mijn opdracht:
maak maar iets.

Oeps.
Ik voel mijn wangen gloeien.
In opperste concentratie
schilder ik een boom.
Hoe verder,
wat zit er in mijn hoofd?
Voor ik het weet
is er een rivier,
gras, lucht…
en heb ik m’n verwachtingen
driedubbel overtroffen.

Er zijn geen oordelen
in deze les
en dat is precies
wat de cursus goed maakt.
Alles mag er zijn
en heeft zijn waarde.

Toch vind ik dat ik
waardering verdien,
maar de lerares
laat haar blik
snel naar iets anders gaan.

De volgende morgen,
nog steeds trots en gelukkig,
kijk ik naar de foto van mijn werk.

Pas dan valt me op
dat het kleurverloop
– het enige waar de les over ging –
precies verkeerd om zit.

Date

-“Kan jij dinsdag over twee weken?”
Via de app probeer ik
met een vriendin
een afspraak te maken voor iets leuks.
-“Nee, maar hoe zit jij die donderdag?”
-“Dan heb ik schilderles.”
-“Heb je dat voortaan elke donderdag?”
-“Nee hoor, nog even maar,
maar de tijd erna is druk met werk.
Hoe zit jij dinsdag of donderdag…”
ik durf het bijna niet te zeggen
“…over vijf weken?”

Allebei blijven we even stil.

Dan krijg ik een appje binnen:
-“Trouwens, hoe zit jij vanavond?”
Met rode wangen app ik terug:
-“Goed idee! Gezellig!”

Uitverkoop

Is het tijdens Corona begonnen?
Die tijd waarin
kopen op internet
zo ongeveer het enige was
dat mocht?

Dat je kleding koopt
en meteen weer terugstuurt.
Of dat je
een weekje later
denkt: hoe nodig
heb ik dit helemaal?

Maar dit jaar
krijgen ze me
niet te pakken.
Ruim voor Black Friday
heb ik alles gekocht
waarvan ik in september vond
dat ik het deze winter nodig had.

Dus kom maar op!
Ik ga niks bestellen.
M’n hele Insta-feed
zit vol reclame.
Ik word nog verleid
om sneakers te kopen,
maar gelukkig
vind ik ze
niet leuk genoeg.

De week erna
vertelt mijn dochter
dat ze een trui heeft gekocht,
maar nog niet zo goed weet
of ze spijt heeft
of niet.
Ze vraagt of ik
nog iets besteld heb?
– “Nee hoor,” zeg ik
met gepaste trots.

We praten verder
over van alles en nog wat.
Als we bijna gaan ophangen,
zeg ik: “Trouwens,
heb je nog shampoo
of conditioner nodig?
Ze waren in de 1+1 gratis.
Dus we hebben weer even
meer dan genoeg.”

Diversity

“En, wat willen jullie later worden?”
Ik rij onze kinderen,
dan nog klein,
met wat vriendjes
terug naar huis
van een Sinterklaasfeest.

“Piet!”, roept een jongetje
in volle overtuiging.
Even blijft het stil.
“Sinterklaas”, zegt een meisje.

Ik vraag haar of ze Piet niet leuker vindt?
Dan mag je lekker rennen?
Nee hoor, ze houdt voet bij stuk.
In de achteruitkijkspiegel
zie ik haar ogen stralen.

Later als ze groot is
moet ze de afdeling HR
van het bedrijf van Sinterklaas
maar eens een pittig briefje schrijven.