Chocola

Omdat ik tolk ben
stuurt de huisarts
mij na een oorontsteking
naar de audicien
om mijn gehoor te testen.

Er liggen allerlei foldertjes:
Vindt u dat mensen fluisteren?
Heeft u in een drukke ruimte
moeite om anderen te verstaan?

M’n oren blijken prima,
en ik weet weer ietsje beter
wat de waarde daarvan is.

Een paar dagen later
– Valentijnsdag –
ga ik naar de bakker in de stad.
Ik bestel een koala-broodje
en twee frambozengebakjes.

Ik krijg een chocoladebroodje.
Als ik uitleg dat ik geen chocolade-,
maar een koala-broodje wil,
krijg ik dat ook.
En dan nog twee gebakjes.

Als ik betaal, is de rekening wat laag.
Ik vraag aan de verkoopster
of ze alles wel heeft afgerekend?
Ja hoor, klinkt het stellig.
Vriendelijk schuift ze
het chocoladebroodje
naar me toe.

Zoiets weiger ik niet,
laat staan dat ik op m’n strepen ga staan.
De verkoopster doet haar best
en is een stuk ouder dan ik.

Als ik na ons Valentijnsdiner
de taartdoos openmaak,
tref ik maar één gebakje aan.

We delen het gebakje
– hoe romantisch –
en proosten naderhand nog even
op de verkoopster bij de bakker
en op de audicien.

Snel

Hoera, ik heb een nieuwe bus ontdekt.
Hij stopt precies waar ik wil
en brengt me van Haarlem naar Amsterdam,
sneller dan ik zelf ooit dacht
dat een bus kon rijden.

Maar de echte tijdwinst is nog wel
dat ik zittend in de bus
met m’n laptop op schoot
écht geconcentreerd
even mails kan beantwoorden.
Mij lukt zoiets niet in de tram
en ook niet in de metro.

Een drukke werkdag
met veel gereis.
Vol vertrouwen
pak ik mijn laptop in;
zo kan ik de meest dringende mails
vandaag nog beantwoorden.

Alles loopt op rolletjes vandaag.
De bus heb ik zelfs tien minuten
eerder dan gepland.
Mooi! Aan het werk.
In het begin kijk ik nog even op,
maar al gauw zit ik helemaal
verdiept in e-mails.

Als ik even later opkijk,
word ik een beetje duizelig.
Wat doet deze bebouwing eigenlijk
aan deze kant van de weg
en hoezo op deze route?

Gelukkig is daar de automatische stem,
zij zet me in een keer op m’n plaats:
de vorige halte had ik eruit gemoeten.

IJs

Yes, de natuurijsbaan is open,
we kunnen schaatsen!

Bij de ijsbaan aangekomen
merk ik dat dit voor iedereen
even een ander momentje is.

Een man heeft de originele kartonnen doos
met het merk Viking erop
naar de baan meegenomen.
De doos vertoont duidelijk
plekken van slijtage.
Hij maakt hem open
en hij staart
naar wat zijn schaatsen moeten zijn
en zijn prikker.

Een oudere vrouw
heeft haar schaatsen al aan,
maar ze kluunt niet naar het ijs;
ze kijkt een beetje zurig naar rechts.
Ietsje verder zit haar man,
ook hij heeft inmiddels de veters gestrikt.
Hij kijkt een beetje naar links.
Los in de ruimte zegt hij:
“Alles is roestig,
maar mijn schaatsen zijn nog goed.”
Moeizaam komt hij van het bankje.

Zijn muts helpt ook al niet
“Koud hè?” staat erop.

Doel

De vorst komt eraan,
de zon schijnt,
wat een schitterende dag!
Tijd om mijn warme jas te testen
en een wandeling te maken;
natuurlijk richting natuurijsbaan.
Ik weet wel dat het niet hard vriest
en dat er waarschijnlijk nog geen ijs ligt,
maar ik moet toch even kijken.

Er ligt zowaar
een vliesje ijs;
genoeg voor een foto.

Opeens is daar een klein rood autootje,
dat aarzelend aan komt rijden.
Het hobbelt over het gras,
zo te zien weet de bestuurder
niet echt waar hij heen moet.
Rijdt hij het water in,
moet ik straks helpen duwen?

Precies op tijd staat het autootje stil,
net voor de helling omlaag
op een bevroren stukje gras.
Wat doet dit rode bakkie hier?
’t Is niet echt een parkeerplaats.

Heel lang stapt er niemand uit.
Ik ga maar gewoon op pad.

Als ik van mijn wandeling terugkom,
staat het autootje er nog steeds.
Het raampje is omlaag gedraaid
en er zit een oud mevrouwtje
met een grijns op haar gezicht
en haar smartphone in de aanslag
achter het stuur
te zonnen.

Help

Hulp vragen is niet meteen
iets waar je als zelfstandige aan denkt.
Je lost problemen zelf op,
liefst nog voor ze zijn ontstaan.

Toch wil ik een béétje voorkomen
dat mijn eigengereide zelf
na verloop van tijd de overhand krijgt.
Bovendien wil ik
liefst mijn hele leven
van iedereen blijven leren.

Daarom ga ik deze week
hulp vragen én accepteren.
Misschien is dat laatste
nog wel het lastigst voor me.

Aan het einde van de week
ben ik er al best bedreven in.
Als ik een tijdje heb gedraald
en gezwegen,
biedt de portier van m’n opdrachtlocatie
mij aan om te helpen
met het sjouwen van de geluidsapparatuur.
Twee kisten moeten van de receptie
naar de vergaderruimte in het souterrain.

Hij pakt de kisten een voor een
en zet ze op zijn steekwagen.
‘Goedzo’, zeg ik tegen mezelf,
‘deze man is groter en sterker dan jij,
hij kent hier de weg en hij weet wat hij doet.
Zulke kisten moet je niet zelf gaan lopen sjouwen.’

Ik kijk vol verwachting toe.
Even denkt hij na over de lift,
maar dan loopt hij
met vastberaden pas
vooruit met de steekwagen
richting een trapje omlaag.
Zo, ik ben onder de indruk.
Deze man kan in ieder geval
iets wat ik beslist niet kan
en al helemaal niet zou durven.
Maar hij is hier natuurlijk handig in,
het is deel van zijn beroep.

Pas als de kisten
een voor een
als dobbelstenen
van de trap af stuiteren,
vraag ik me af
wie van ons tweeën
deze week
het meeste heeft geleerd.

Amsterdam

Het blijft een voorrecht
om te werken in de stad
waar je ook hebt gestudeerd.
Helemaal als je af ten toe
met je laptop
in een koffietent
mag zitten werken.

Maar vandaag heb ik geen zin
om m’n fiets in de parkeergarage
of in een afgebakende witte rechthoek
in plaats van aan een paal te zetten.
Alsof de straat opeens een schoolplein is
waar wordt geheerst en verdeeld.
Toch wil ik ook geen boomer zijn,
die denkt dat alles nog als vroeger is;
ik parkeer mijn fiets in het vak in de rij.

In het hippe koffietentje
draaien ze – misschien met opzet  –
muziek waar je net niet bij kunt werken.
Dan maar naar mijn stamkroeg,
al kom ik er niet vaak genoeg
om hem zo te mogen noemen.

Ik ga zitten aan het tafeltje
naast dat van een oude dame
die ik al vaker heb gezien.
Ze is tot in de puntjes verzorgd;
met make-up op en al
zit ze te lezen.
Dan vouwt ze de krant op
en begint verrassend doeltreffend
te meppen naar een wesp
bij mij voor het raam.
Alsof ik bij haar thuis
aan de keukentafel zit.
Dan rekent ze af
en is verdwenen.

Twee tafeltjes verder
zit een man met een vrouw.
Bij elke naam
die de man laat vallen,
zegt de vrouw:
“Maar woonde die dan in Zuid?”

Ik mis de mevrouw
met de vliegenmepper
nu al.

Tijd om te gaan.
Vol trots haal ik
– Amsterdammer van nu –
mijn fiets van zijn plek,
netjes binnen de lijntjes.
Per ongeluk stoot ik
tegen de fiets naast de mijne.
Het domino-effect dat daarop volgt
speelt zich godzijdank
alleen maar af
in mijn hoofd.

Schuld

Onze kinderen zijn al een tijdje niet thuis geweest.
Daar kan een mens van alles van vinden,
maar één ding zit gebeiteld:
je hebt meer tijd voor jezelf.

Zoals vanochtend bijvoorbeeld.
Gisteren viel mijn schema tegen,
maar vandaag valt het mee:
ik heb een half uurtje extra.
Och, wat een weelde,
dit moet ik vieren.
Ik pak de kleine espressozetter,
maar tot mijn grote schrik staat die
met water erin in de kast;
er groeien nog net geen plantjes in.

Ik voel verontwaardiging
en onderdruk een opwelling
om luidkeels door het huis te roepen:
“Wie heeft dít gedaan?”

Maar schreeuwen is nooit mijn ding geweest
– niet echt voorbeeldgedrag –
en behalve mij is er niemand thuis.
Mijn man gebruikt de koffiemachine,
nooit de kleine espressozetter.

Blijft er nog één iemand over,
die eigenlijk met koffie drinken is gestopt,
maar die het toch niet laten kan,
om niet vaak, maar af en toe,
toch een kopje koffie te zetten
als ze iets kleins te vieren heeft.
Iemand die daar
speciaal en bij voorkeur
de kleine espressomaker voor gebruikt.

Iemand die beroepshalve
ook nog wel eens afgeleid kan zijn,
als ze met haar handen iets doet
terwijl er ergens in haar omgeving
taal te beluisteren valt.

Ik kan hier nog heel lang over praten,
maar je begrijpt wel wie de schuldige is.

Genoeg

Zomervakantie in Noorwegen
is een beetje koud.
Voor het eerst
van mijn leven
zie ik in de zomer
mensen met een muts rondlopen.

We komen langs een kampeerterrein.
Er zijn een paar tenten te zien,
maar verreweg de meesten
hebben een camper.

Ook zie ik een paar
caravans staan.
Niet allemaal even nieuw,
maar allemaal keurig gepoetst,
hoe groter, hoe beter.
De grootste caravan
is een Noorse.
Hij heeft een vaste staanplaats
en een voortent
waar onze woonkamer in past.

Maar dan zie ik plotseling
een caravan die juist niet opvalt.
Zo te zien gemaakt in de jaren tachtig;
volgens de normen van vandaag
niet om aan te zien.

Het formaat is tweederde
van een standaard caravan
en ondanks de kou
staan er twee stoeltjes voor.
Er staat een auto bij
die niet te groot is, niet te klein.
Pas na een tijdje
valt mijn oog
op de naam van het model.
Het is de Adria Prima.

Slim

Voordat we naar Noorwegen gaan,
krijg ik van een oude tante
nog wat contante kronen mee.
Zij had ze thuis nog liggen.
Niet iedereen heeft overal
een pinautomaat of zelfs maar bereik.
In zo’n berghut, of onderweg
– je weet maar nooit –
dan heb je iets achter de hand.

De hele reis zitten ze in m’n portemonnee,
maar met een kaart betalen
is zo veel makkelijker.
En het noodgeval doet zich niet voor.
Zelfs als we in een berghut zijn,
krijgen we een pin gepresenteerd.
Toch hou ik de kronen stevig in mijn zak.
Je weet immers maar nooit.

Als ik voor ons allerlaatste
Noorse kopje koffie
weemoedig
contant betalen wil,
zegt het meisje:
‘Sorry, we don’t accept cash.’

Ik had het kunnen weten.