Uit elkaar

Als tolk maak je alle situaties mee;
ik tolkte bij een stel dat uit elkaar ging.
Het was geen vreselijke scheiding,
ze gingen goed met elkaar om.
Er waren geen kinderen
en ze deden allebei hun best
om het goed te regelen.

In de wachtkamer vertel ik
dat ik hoop dat we ooit
een mooi ritueel bedenken
voor hoe je uit elkaar gaat.
 
Ik bedoel: als iemand overlijdt
staan we allemaal in de rij
met bloemen en medeleven,
mensen sturen kaartjes.
Maar als je uit elkaar gaat,
blijft het vaak zo akelig stil.
Eerlijk gezegd weet ik dan ook
nooit zo goed wat ik moet zeggen.

Als alle spullen zijn verdeeld
en de papieren zijn getekend,
is het tijd om te gaan.

Iedereen zegt vriendelijk gedag.
We houden de lucht er vrij goed in.
Binnenkort gaat zij op reis.
Hij zegt:
“Ik zie je foto’s wel op Instagram.”

Op één of andere manier
zweeft dat kleine zinnetje
nog dagen door mijn hoofd.

Beleefd

We zijn op het platteland
en ik wil extra lekker brood,
dus ga ik naar de bakker.
Er staat maar maar één iemand voor me,
toch krijg ik spijt.
Wat kunnen die mensen hier
eindeloos staan praten!
Ze heeft al afgerekend,
toch gaat de theevisite door.
Waar ik vandaan kom is zoiets
bijna onbeleefd.

Als ik tien vierkante witte bollen bestel
begint de verkoopster te lachen:
“Weet u wel wat u zegt?”
Het duurt even voordat ik de grap begrijp,
want ja, zo staan ze in m’n hoofd: vierkante witte bollen.

Mijzelf verontschuldigend leg ik uit dat ik schrijf
over de manier waarop ik kijk en denk
en dat mensen daarom kunnen lachen.

Als ik heb afgerekend,
zegt ze dat ik moet blijven schrijven.
Ze pakt pen en papier.
Waar kan ze me vinden?

Ik schrijf het adres op van m’n blog,
we wensen elkaar een fijne dag.

Als ik me omdraai om weer weg te gaan
staan er vier man achter me
rustig in de rij te wachten.

Principe

Voor mijn werk als tolk
deel ik headsets uit,
vaak aan stellen.
Bijna altijd geven
de man en de vrouw
ieder hun setje aan me terug.
Maar laatst had ik een stel
van wie de man snel wegliep,
zijn set vergetend.
De vrouw pakte beide sets
geruisloos op
en gaf ze aan me terug.

Moet ik hierover schrijven?

Twee dagen later
bedien ik een ander stel.
We krijgen allemaal iets te drinken
en gaan naar een andere kamer toe.
De man laat zijn glas staan,
de vrouw drinkt snel het hare leeg
en neemt het zijne voor hem mee.

Hier moet ik over schrijven.

De wereld moet weten
hoe fantastisch ik ben.
Toen mijn zoon anderhalf was
heb ik hem geleerd
hoe hij zijn puinhoop aan speelgoed
op moest ruimen.
Aan zijn kamer van nu
is dat niet altijd te zien;
toch kent hij het principe.

Die avond zit ik met mijn man op de bank.
We kijken een film,
we pakken een biertje.
Aan het eind van de avond,
grijpt mijn man
met een zoekende arm
naar zijn glas.
Verbaasd vraagt hij:
“Heb je alles al opgeruimd?”
Ik zeg “ja” en ik hoor iets voldaans in mijn stem.
Spontaan reageert hij:
“Fijn.”

Buzz

Lezend in een stille bus
hoor ik opeens
keihard gekrijs
van een meisje van
een jaar of drie.
Eerst negeer ik de herrie,
maar als ik opkijk,
lacht ze helemaal verguld naar me terug.

Nu haar wens is vervuld,
blijft het stil,
maar niet lang.
Zou ze dit
bij alle passagiers
proberen?

De moeder probeert
haar stil te krijgen.
De hele bus kijkt inmiddels
stoïcijns voor zich uit.

Twee haltes verder
loopt een ander klein meisje
samen met haar moeder
naar de uitgang.
Haar ellebogen wijzen
pontificaal naar buiten,
haar handen houdt ze stevig
op haar oren gedrukt.

Marathon

Het is rustig op m’n hardlooproute.
Begrijpelijk; het regent niet,
maar stervenskoud is het wel.

Als ik stilsta om te rekken,
rent er een meisje voorbij.
Onopvallend in het zwart gekleed,
soepeltjes lopend, niet te snel,
achter haar een jongen en een meisje op de fiets.
Ze praten een heel klein beetje met z’n drieën.

Zo terloops als het eruitziet,
zo serieus zal het zijn.
Ik bedoel, welke hardloper heeft er nou
twee man fietsbegeleiding?
Zou dit de afgelaste marathon zijn?
Ik bedoel: ze trainde voor de marathon
maar die ging niet door,
dus nu loopt ze hem zelf, alsnog?
Hoe dan ook, dit meisje is
zo onopvallend mogelijk
een persoonlijk record aan het vestigen.

Langs haar route kijkend
zie ik vijftig meter verderop
midden in het boerenlandschap
een grote tros ballonnen langs de weg,
hoog gehouden door een groepje meiden.
Ze houden kartonnen borden in de lucht
met allerlei teksten erop.
Zodra ze de hardloopster door de bocht zien komen,
beginnen ze te roepen.

Supporters hebben me nog nooit ontroerd,
maar deze meiden, zo plotseling,
in deze stervenskou
in deze middle of nowhere…

“O jee”, zegt het meisje,
“dit is zo lief,
dat ik er bijna van ga huilen.”

Voor de zekerheid kijk ik ook maar
eventjes een andere kant op.

Tevergeefs.

Kwijt

Het is een belachelijk drukke week,
vandaag tolk ik bij een notaris.
Na de afspraak loopt iedereen de spreekkamer uit.
Ik blijf achter,
maak m’n apparatuur schoon,
kijk eens om me heen.
Sinds Corona heeft de notaris
lego in de spreekkamer staan
voor de kinderen die meekomen
omdat er voor hen geen opvang is.
De lego ligt door de hele kamer,
het is niet mijn taak maar toch;
als m’n apparatuur schoon is, ruim ik de lego op.
We doen toch met z’n allen ons best
om het hier voor iedereen
een fijne plek te maken.
Terwijl ik m’n best sta te doen
om de lego zo uitdagend mogelijk
voor het volgende kind te etaleren,
voel ik opeens allerlei ogen prikken.
Tot m’n schrik is de volgende afspraak er al,
een afspraak waarbij ik niet nodig ben.
Iedereen zit te wachten tot ik ga.
Met gloeiende wangen ren ik naar buiten,
mijn god, wat een blunder!
Hoe heb ik de tijd zo kunnen vergeten?
Zoeken naar de auto.
Waar heb ik dat ding toch neergezet?
Rustig probeer ik in gedachten
te visualiseren hoe ik parkeerde.
Waar stond ik?
Hoe zag het eruit?
Langzaam begin ik te beseffen
dat ik die auto niet ga vinden,
ik ben gestresst, ik moet weg,
maar ik heb geen idee hoe ik hier kwam.
“Schat, ik ben de auto kwijt.”
Hoe ga ik dit aan mijn man vertellen?
Als ik in paniek in mijn tas graai
naar mijn telefoon,
die ik vast ook wel kwijt zal zijn,
voel ik plotseling een arm om me heen.
“Wakker worden, het ontbijt staat klaar!”

Als ik van de schrik bekomen ben,
staat mijn man op eenzame hoogte.
Nog nooit heeft hij me zo
van de ondergang gered.

Laatst

Iemand moet de laatste zijn.
Ik heb die twijfelachtige eer
vaak als we vertrekken.
Vandaag ligt de lat hoog;
voor het eerst in heel veel jaar
gaan we het natuurijs op.

De zon schijnt,
lekker ontbijt.
Jawel, vandaag
doe ik het beter.

Weet je wat?
ik doe alles van tevoren aan,
dat scheelt gedoe.
Jas dicht, bivak op, muts op,
dikke wanten aan…
Ooooh… daar heb je het al,
hoe moet dat nu met m’n veters?

Vol goede moed stap ik snel
met losse veters de auto in.
Zie je? Vandaag doe ik het efficiënter.
Rijdend langs het ijs,
verheug ik me op wat komen gaat.
In gedachten zweef ik al over het meer,
wat ziet de natuur er schitterend uit.

Kennelijk zie ik er zo ingepakt
een beetje a-relaxed uit,
want m’n man geeft me een handige tip:
“Heb je alles nu al aan,
is dat niet veel te warm?
Dat kan toch ook straks wel?”

Plotseling staat de BOA daar:
“Nee meneer, u mag hier niet parkeren.”
Galant als hij is, laat mijn man
mij en de kinderen de auto uit.
Zo kunnen we makkelijk bij het ijs.
Hij bedenkt wel iets,
we zien hem straks vanzelf verschijnen.

Daar sta ik plotseling op straat.
Tas, wanten, muts, bivak,
alles fladdert om me heen.
Al ik zo verder loop
ben ik straks m’n spullen kwijt.
Even alles goed doen.

Mijn zoon staat stil,
iets verderop.
Zijn stem klinkt liefdevol:
“Mama, kom je?”

Echt

Toen ze voor het eerst
ruzie hadden,
heeft hij haar
ten huwelijk gevraagd.

Inmiddels zijn ze
bijna 60 jaar samen.

Hij is vaak genoeg ziek geweest,
toch is het ergste hem
– wonderlijk genoeg –
nog altijd bespaard gebleven.

Zo kwamen ze tot hun verbazing
toe aan de volstrekt onverwachte vraag:
stel nou dat je het zou krijgen,
wil je dan weer de IC op?

Het antwoord bleek er niet te zijn;
in al die jaren heeft hij geleerd:
je weet niet hoe het loopt.

Maar de één zonder de ander
of de ander zonder de één…
We werden héél voorzichtig.

Als yin en yang
leefden mijn vader en mijn moeder
samen door de maanden heen.
Elke dag was er
toch weer eentje.

Hij moest voor iets anders
naar het ziekenhuis.
We hielden onze adem in.
Hij had al zo vaak geluk gehad;
wat konden we ervan zeggen?

Je kunt niet weten hoe het loopt.
Over een paar dagen
krijgen ze hun eerste prik.
Wonderen bestaan.

Ziek

Zou Blue Monday me te pakken hebben?
Dingen waar ik nooit over nadacht,
vallen opeens zwaar.
Ik loop te hijgen op de trap,
het lijkt wel of ik de hele week
overal nét iets later ben.
Ik fiets niet meer fluitend naar m’n werk.
Waar is m’n motivatie?

Op vrijdagavond dooft het licht.
Ik ben veel later thuis dan ik dacht.
Als koukleum heb ik het plotseling warm
en ik voel iets wat ik lang niet heb gevoeld:
overal spierpijn.

Ik kruip in bed,
trek de dekens over me heen.
Geef mijn weekend maar aan Fikkie.

Na een negatieve coronatest
is het de fietsenmaker die de diagnose stelt:
m’n achterrem loopt aan.

Amsterdams

Achttien waren we en hartsvriendinnen.
Vol enthousiasme kwamen we naar de stad.
Zij stapte in de tram en vroeg aan de bestuurder:
“Meneer, komt u langs de Albert Cuyp?”
Het antwoord had je in geen andere stad kunnen krijgen:
“Nah wijffie, voor jah rijd-ik om!”

We zijn inmiddels vele jaren verder
en ik moet op de gracht zijn voor een klus.
Het regent bakken uit de hemel,
maar met de auto gaan komt niet bij me op.
De grachten zijn voor de auto slecht bereikbaar;
als je hartje centrum moet zijn, neem je het OV.

Hoe is een mens in de regen een dame?
Ik jongleer op hakken met een te grote paraplu
in een jas die geen spatje water kan hebben,
dan nog een werkkoffer, een telefoon, een OV-pas…

Ik ben op de trein aangewezen,
want de metro ligt er even uit.
Hoe Amsterdams wil je het hebben?
Al klungelend drop ik m’n OV-pas
tussen het perron en de rails.

Het lukt me om,
als een heuse zwartrijder
in iemands kielzog het station uit te komen.
Vanaf dan wordt het kaartjes kopen bij de automaat.

Op de terugweg, bij de bus, vraag ik de chauffeur om een kaartje.
“Waar moet je zijn?” vraagt hij, en ik zeg waar ik woon.
Hij zegt: “Zes vijftig, da’s wel een hoop geld voor zo’n ritje,
daar kun je voor Kerstmis ook iets lekkers voor kopen!”
Vermanend gaat hij verder: “Hebbie geen kaart?”

Ik vertel dat ik m’n pas heb verloren.
O ja, nou ja, dat begrijpt hij dan wel weer.
Als ik het kaartje in m’n portemonnee wil gaan stoppen,
klinkt het: “Vergeet je niet om in te checken?
Anders wordt het wel een héél duur ritje!”
Ik moet lachen bij de gedachte;
zijn stem voelt als een aai over m’n bol.