Noodweer

Ik zie mezelf niet als een doetje,
maar voor vandaag is noodweer aangekondigd.
Teleurgesteld leg ik m’n regenkleding klaar,
dan maar met het OV naar m’n klus.

Tegen de tijd dat ik moet vertrekken,
ziet het er niet zo goed uit.
Moet ik eigenlijk wel gaan?
Moet een mens dit willen?

Ik bel naar m’n opdrachtgever,
maar niemand heeft afgezegd,
oftewel: het gaat door.
M’n paraplu laat ik staan;
als ik die meeneem, vlieg ik straks
als Mary Poppins door de lucht.

Gelukkig wacht de bus nog even
als ik een sprintje trek,
zodat ik niet helemaal doorweekt
op het station aankom.
Daar heerst een akelige sfeer,
weinig mensen, weinig haast,
in de galmende hal
gaan alle telefoons opeens af:
Amber Alert.

De trein staat stil,
de metro rijdt nog.

Na één halte wordt er omgeroepen:
beste reizigers,
de trams stoppen ermee
en de metro rijdt ‘nog even’.

Ik troost mezelf met de gedachte
dat ik onder de grond
veiliger ben dan wie dan ook.
Toch voelt het een beetje anders.

Ik maak een inschatting
van de mensen om mij heen:
zullen wij straks met elkaar
een band op gaan bouwen?
Iedereen draagt een regenjas,
een rugzak
of iets handigs met een capuchon…
of nee, kijk toch! Twee Britten!

Hoe ik ze op afstand herken?
Ze zijn de enigen in pak,
de enigen zonder jas,
de enigen met een paraplu.
Ze staan daar op hun dooie gemak
met elkaar te kletsen.

Ze hebben nog net geen badges op
met de woorden carry on.

Broek

Voor sommige mannen
is het mode:
zo’n broek
tot halverwege je billen.

Ik loop
door het centrum
van Amersfoort.
Op vijftig meter
komt een vrouw
van ongeveer mijn leeftijd
me tegemoet.
Tussen ons in:
een jonge man
die de mode
helemaal door heeft:
zijn broek hangt
onder zijn billen,
z’n hele onderbroek
is te zien.

Heft zij een wenkbrauw
of tikken mijn hakken?

Schielijk trekt hij
zijn broek
een flink stuk op.

Nest

Zou het door de lente komen?
Of kijk ik gewoon meer om me heen?
Plotseling interesseer ik mij voor vogels.

In een wilg in de buurt
heb ik een kraaiennest gezien.
Het zit hoog in de boom
en het waait heen en weer.
Windje zes –
ik ben niet jaloers.
Jawel, ik snap
dat er wolkenkrabbers zijn.
Maar toch, ik probeer me
voor te stellen
hoe het is om in een huis te wonen
dat zo heen en weer zwiept.

Ik verbaas me erover
dat dat nest niet uit de boom waait
en hoe de ouders
tijdens het voeden
met hun vleugels balanceren.
Wonderlijk dat je
vanuit zo’n hoge boom
je kinderen durft
te leren vliegen.
Ik stel me zo voor
hoe je met een kind van een jaar
bovenaan de trap gaat staan:
“Hup, vooruit maar,
ja, je kunt het!”

Nadat ik een hele week lang
af en toe heb gemijmerd
over mogelijke symboliek,
komt m’n schoonvader op de koffie.
Hij houdt van vogels,
dus ik zeg:
“Heb je dat prachtige kraaiennest gezien?
Daar zo hoog in de wilg hier verderop?”

Hij werpt een blik op de boom
en zegt dan snel:
“Ja mooi, maar die boom is een populier
en die vogels, dat zijn eksters.”

Ank

Ik ben op weg
naar een opdracht
op een grauwe dag
met mijn werkkoffer
en reuzenparaplu.
Het wordt een delicate klus,
vermoedelijk zal ik
heel stil moeten zitten.
Nog zeven minuten,
dan moet ik er zijn.
Plotseling word ik
keihard nageroepen:
“U lijkt nét
mijn laatste leidinggevende.”
Ik draai me om en zeg:
“O jee.”
Omdat de man die het roept
niet klinkt alsof
hij sindsdien nog heeft gewerkt,
vraag ik bezorgd:
“Was ze een beetje leuk?”
– “O ja hoor, Ankie was
een hele lieve.
Ze was de beste leidinggevende
die ik ooit heb gehad.
Dus u kunt doorlopen hoor,
mevrouw,
met u komt het wel goed.”

Persoonlijk

Hoera, vandaag heb ik
in Amsterdam centrum
tussen twee opdrachten in
even tijd om met mezelf
koffie te drinken.

Ik kies een mooie plek
en een beroemde kroeg.
Dat is vast duurder,
maar sorry, dit is mijn moment.
Ik ga even genieten.

De serveerster ziet er
hartelijk uit
en doet alles uit haar hoofd.
Zie je wel, het bestaat nog:
geen computersysteem,
maar ouderwets vriendelijke,
persoonlijke bediening.
Ze haalt zelfs eventjes voor mij
– dat is bijzonder in Amsterdam –
een doekje over tafel.

Ik bestel een dubbele latte
met een enkel shot koffie.
Die blijkt nogal sterk;
ik zal wel niet meer gewend zijn
aan een ouderwets goed bakkie.
Het grote genieten begint:
geanimeerde gesprekken,
journalistieke discussies
overal om me heen.
Heerlijk, deze mensen zijn
de wereld aan het redden.

Als ik naar de bar loop
voor de rekening,
kijkt de serveerster me
blanco aan.
“Waar zat u ook alweer?”
Ik wijs naar m’n plek,
maar ze heeft geen idee.
Mensen achter me
beginnen te dringen.
Als ik zeg dat ik een latte had
gaat er langzaam een lichtje op.
“O ja, u was die mevrouw,
die een kleine latte bestelde
met een dubbele espresso.”

Stoplicht

Vandaag ga ik
met het OV naar een klus.
De weg naar de halte
loopt via een stoplicht
met een zebrapad erbij.
Net als ik me
naar het knopje wil bewegen,
komt er een meneer op me af.
Hij loopt een beetje
anders dan ik.
Zijn mond zegt niets,
maar zijn ogen zeggen:
ík wil daarop drukken.
Ik laat hem voorgaan,
zo moeilijk is dat niet.
Als hij op het knopje drukt
is de opluchting bijna tastbaar.

We steken tegelijk over
en wachten op dezelfde bus.
Als die eraan komt,
steekt mijn vriend zijn hand
met kaart
duidelijk de lucht in.
Als de bus voor onze voeten stopt,
stapt hij dolgelukkig in
met een air van
‘zie je wel’.
Sinds hij op het knopje heeft gedrukt,
valt alles voor hem op zijn plaats.

Had ik maar zo’n knopje.

Handig

Als ik ’s avonds
uit het zwembad terugkom,
loop ik eventjes naar boven
om mijn natte spullen
netjes uit te hangen.

Maar tot mijn schrik
kom ik erachter
dat mijn tas onder de shampoo zit.

Als ik,
dik een half uur later,
alles helemaal heb schoongespoeld
en eindelijk beneden aan de thee zit,
vraagt mijn man
waarom ik eigenlijk
shampoo meeneem naar het zwembad.

“Dat is toch hardstikke handig,”
hoor ik mezelf
vol overtuiging zeggen,
“dan was ik mijn haar
als ik toch al sta te douchen.
Dat scheelt tijd.”

(Foto: Zuiderbad, Amsterdam)

Geluk

De metro staat
bij elke halte
zo’n vijf minuten stil.
Nog een paar
haltes te gaan,
al met al wordt dat
op een afstand
van vijf kilometer
een half uur vertraging.

Na opnieuw
twee minuten stilstaan
stappen een paar
reizigers uit.
Lopen is
wellicht sneller.
Twee minuten later
staan we nog steeds stil.
De deuren zijn dicht;
de sfeer is bedompt.

Plots komt een groepje mensen
het perron op rennen.
Deuren open:
“Snel, naar binnen!”
Deuren dicht:
“Yes, we did it!!”
Wat een opluchting,
ze hebben ‘m gehaald.

Mama

Zaterdagochtend
half negen.
Het is herfst,
maar vijftien graden.

Als ik mijn fiets pak
om boodschappen te gaan doen
via het paadje achter ons huis,
hoor ik ietsje verderop
een pinnige vrouwenstem:
“Doe je jas dicht!”
Daar komt de buurvrouw aan
met haar twee kinderen,
een jongen en een meisje.

Even later hoor ik
het zusje meedoen:
“Ík luister wél!”

Honderd meter verderop
haalt het broertje mij in.
Zijn knaloranje winterjas
staat godzijdank nog open.

Als hij mij voorbij is
kijkt hij om naar zijn zus
en roept,
zodat de hele straat het horen kan:

“Komop, laten we kijken of
mama ons bij kan houden.”

Woorden

Mijn vader die
met 84
meer dan
volledig zichzelf is,
kan opeens even
geen woorden
meer vinden.
Even later slaat hij wartaal uit.

De dokter belt
een ambulance.
Mijn moeder
gaat mee.

Op de app
vraagt mijn bezorgde
zus
of pa nog steeds
zo warrig praat?

M’n slechthorende moeder appt:
Ik kan het niet allemaal verstaan.

En even later:
Hij wil naar huis.

Probleem opgelost,
hij maakt het nog steeds prima.