Christine Elion is beëdigd tolk Engels-Nederlands en blogger. Ze schrijft in vertrouwelijkheid over de kleine, persoonlijke glimlachjes die elke dag de moeite waard maken. Christine schrijft haar blog in het Nederlands, dus als je een blog van haar in het Engels tegenkomt, is die waarschijnlijk vertaald door AI.
Dierenmishandeling:
vroeger mocht het niet,
maar nu al helemaal niet.
Dolfijnen vertonen natuurlijk gedrag,
beren in het circus zijn verboden,
veel honden dragen tuigjes,
geen halsbanden meer.
Op een zomerse dag
in het Vondelpark,
zie ik een hond
in een bakfiets zitten.
Prinsheerlijk snuift hij
luchtjes op.
Zijn baas daarachter
trapt stevig door
en draagt een dikke
ring door zijn neus.
Op mijn suptocht
over het grote meer,
kom ik nog een supper tegen;
een vrouw van mijn leeftijd.
Ze zwemt wat
en geniet van de zon,
we maken een praatje.
Als ze weer verder supt,
zie ik dat ze meer valt
dan supt.
Ze komt nauwelijks vooruit.
Ik vraag me af
waar dat aan ligt
en kijk even goed.
Haar peddel blijkt
zo kort afgesteld,
dat je eigenlijk
al in het water ligt,
voordat je met je peddel
het water hebt geraakt.
Ik vraag:
– “Wie heeft je peddel afgesteld?”
– “M’n vriend, die heeft er verstand van.”
Na de eerste week
van onze vakantie in Frankrijk
vertrekken we naar
een volgende plek.
Aan mij de schone taak
om het afval te scheiden.
Er staan verschillende containers
in allerlei kleuren
en overal staat
op z’n Frans aangegeven
wat waarvoor bedoeld is.
De informatie is heel duidelijk,
duidelijk bedoeld,
en omdat we in Frankrijk zijn,
moet de informatie
natuurlijk ook gedetailleerd zijn
én volledig.
Na een hele hoop lezen
en kijken naar plaatjes,
heb ik het helemaal door.
Natuurlijk! Logisch.
Op onze volgende plek
hebben we opnieuw
zo’n relatief keurig
afvalparkje.
Ja, nu ken ik de logica!
Dát is voor verpakkingen,
dát is restafval
en die container daar
is voor de plastic flessen.
Als we weggaan,
hebben we natuurlijk
iets meer afval,
plus de wijnfles van
onze laatste avond.
Ik kijk eens even
voorzichtig rond.
Waar willen ze hier
dat ik het glas doe?
Als ik ga lezen, blijkt dit
een ander departement,
met dezelfde containers
voor verschillende dingen.
Mijn verpakkingen van deze week
zitten bij het restafval
en de hele week
heb ik onze plastic flessen
in volle overtuiging
in de glasbak gegooid.
Het is warm in de stad;
wat zal ik doen?
Toch maar met de fiets gaan?
Misschien moest ik het
maar niet onderschatten;
ik ga met het OV,
ondanks dat ik met
lijn 5 moet.
Lijn 5 is eigenlijk net niet wat je wil
– ik begrijp dat ik verwend ben –
maar lijn 5 gaat net niet vaak genoeg
en je hebt het er in de winter altijd koud
omdat er veel deuren in zitten
die overal opengaan.
Maar zou dat niet
in de hitte
fijn kunnen zijn?
Vooruit, ik neem lijn 5
en blijf zo stil mogelijk zitten.
Adem in, adem uit,
bij elke halte wordt het warmer.
Ik vrees dat dit warmer is
dan de fiets,
maar niet zeuren, blijf ademen,
je doet enorm verstandig.
Als we er bijna zijn
loop ik om tijd te besparen
langzaam de tram door
naar de achterste uitgang.
Bij de tweede wagon
daalt de weldaad van een airco
op mijn schouders neer.
Tijdens mijn sup-tochtje in de vroege ochtend zie ik een paar vissers in de verte.
Hun bootje ligt precies op mijn optimale vaarlijn; in de luwte, aan de rand.
Als ik daar ruim voorlangs moet, vanwege de hengels en dobbers, grijpt de wind mij ongetwijfeld en lig ik zo aan de andere kant van het meer, daar waar ik niet wil zijn.
Gelukkig blijkt er nog wat ruimte, precies tussen hun bootje en het riet. Pas als ik op twee meter ben krijgt een van de heren op leeftijd mij en m’n sup in de gaten. Hij geeft zijn maat een por en zegt: “Pak jij het schepnet? We hebben beet.”
Na een heerlijke middag op een zoetwaterstrand, fiets ik relaxed naar huis.
Achter me hoor ik hitsige geluiden van een brommer, of zijn het er meer? Op hetzelfde moment krijg ik een tegenligger: een rood busje komt met lekkere vaart regelrecht op me af.
Het past precies op dit weggetje. Ware het niet dat het gegons van de brommers achter me iets te snel steeds luider wordt.
Ik kijk om, bij wijze van: je ziet toch wel dat dit niet past? Maar ik zie twee ogen zonder helm vastberaden om met man en macht en met zijn twee volgelingen in het niet-bestaande gat te duiken.
Ik krijg een duw, niks aan de hand. En tot mijn stomme verbazing past de eerste van de drie brommertjes in het niet bestaande gat. Tenminste… in het voorbij scheuren hoor ik een keiharde klap. Hier is iets geraakt.
In haast probeer ik van de laatste brommer het nummerbord te onthouden. Maar tegelijk voel ik me schuldig; de eerste is altijd de aanstichter, en de laatste wordt gepakt. Werk ik daaraan mee?
Gelukkig rijdt het busje gewoon door. Pas als ik omkijk, begrijp ik waarom: als ik het een beetje inschat is het busje ongeveer net zoveel waard als die opgevoerde brommer.
Vandaag is een warme dag, langzaam fiets ik naar m’n werk langs een schapenweitje.
Een grote groep schapen staat in de zon. Als ik langsfiets zet één van hen het keihard op een rennen. Een ander schaapje rent er achteraan, al twijfelt ze wel een beetje.
De twee ontsnapte schaapjes zijn in de schaduw aanbeland. Het schaapje dat het hardste rende zet het op een blaten. ‘Kom ook in de schaduw!’ hoor ik, ‘Het is hier lekker koel!’
De grote kudde blaat terug, keurig netjes, één voor één: ‘Nee joh, tuurlijk niet! Het gras is hier veel beter!’
Dan hoor ik het geblaat van een schaap dat ik tot nog toe volledig over het hoofd had gezien. Zij staat in haar eentje aan het eind van de wei bij de drinkbak. ‘Jullie zijn allemaal sufferds’ – hoor ik, ‘Kom toch hier in de schaduw staan, bij het water!’
Jammer genoeg heb ik geen tijd om af te wachten waar de kudde uiteindelijk besluit te gaan staan: democratie.
M’n fietsbel is kapot. Al een tijdje vraag ik me af of ik wel een nieuwe moet kopen. Een fietsbel in Amsterdam lijkt wel uit de tijd. Ik bedoel de enigen die zo’n ding nog echt, actief gebruiken zitten op een snelle e-bike waarop ze meestal harder rijden dan een auto mag.
Dus ik, op m’n traditionele fiets, met een fietsbel? Ze horen me aankomen. En eerlijk is eerlijk, met mijn tempo; hoe nodig is zo’n bel nou helemaal?
Amsterdam-Centrum, ik zit lekker te trappen. Een paar meter voor me wil een dame met de ABS-rem van haar e-bike vlak voor mijn neus stil gaan staan. Ook van rechts komt er iemand die ik te laat heb gezien. Ik schiet in de remmen, die piepen zo ongeveer de hele straat bij elkaar.
Nog nooit heb ik mensen zo razendsnel voor me opzij zien gaan. Bel? Neuh, dit werkt veel beter.
Soms ben ik even niet de baas van m’n schema. Ik ren om de trein te halen. Yes, gelukt! Als ik erin stap blijft hij zelfs nog even staan.
Pas op dat moment besef ik dat ik ook nog een telefoontje moet plegen.
Ja, echt, ik bedoel: een telefoontje. Dit kan niet via de app of mail.
Niets irritanters dan zo iemand die in z’n eentje luidkeels zit te bellen. Gelukkig is er niemand op dit balkon van de trein. Ik besluit te blijven zitten en doe mijn oortjes in.
De trein blijft natuurlijk langer staan dan nodig en er stappen nog twee mensen in. Ik kijk naar de grond, vermijd hun blikken. Ik ben zo’n irritante beller. Sorry dat ik nu en hier eventjes besta.
Na een ietwat benepen telefoontje durf ik omhoog te kijken.
Mijn medepassagiers zitten allebei zorgeloos naar buiten te staren van onder hun over-ear koptelefoon.
Mooi weer, ik fiets naar de stad over een afgelegen fietspad ogenschijnlijk in de natuur – de snelweg ligt op dertig meter.
Op een zijpaadje in de zon, zie ik een plaatje waar je mij beslist elke nacht voor wakker mag maken:
een agent in zijn eentje, stilstaand tegen zijn fietsje, sigaretje in de ene hand, in de andere zijn telefoon, hij gaat er helemaal in op. Rook kringelt prachtig omhoog in het zonlicht.
“Jaaaa, betrapt!” roep ik met een grijns op mijn gezicht.
Hij schrikt en roept net iets te hard: “Nee hoor!” Uitgebreid begint hij uit te leggen wat voor nuttigs hij aan het bekijken was.
Lachend fiets ik door. Pas als ik helemaal voorbij ben lacht hij met me mee.