Pleidooi voor de blauwe chimpansee

In m’n nieuwjaarsplan stond het al:
dit jaar – en zo veel mogelijk jaren daarna –
wil ik positief formuleren.

Naarmate je daar langer je best voor doet,
– wat niet betekent dat het altijd lukt –
valt het je steeds vaker op wanneer het beter kan.

Ongetwijfeld ken je de ‘roze olifant’
als voorbeeld van een negatieve bewoording
die niet werkt.

Als je zegt: denk níet aan een ‘roze olifant’,
dan gaat iedereen alsnog
aan een roze olifant zitten denken.

Onze hersenen en ons lichaam zijn eenvoudigweg niet geholpen
met het bevel om iets níet te doen.

Effectiever is te zeggen waar het wél naartoe moet.

Sorry, ‘roze-olifant’,
maar na jaren trouwe dienst
schrap ik je uit m’n taalgebruik.
Ik wil positief formuleren.

En als ik je positief verwoord,
zeg ik liever: denk vooral
aan een ‘grote blauwe chimpansee’.

Murphy’s law

Soms heb je van die dagen
waarop Murphy aan het werk is.
Meestal doet hij zijn werk heel grondig.
Vandaag is kennelijk zo’n dag.
Mijn eerste afspraak komt niet opdagen.
En terwijl ik gewoonlijk na een kwartiertje denk: hij zal zo wel komen,
merk ik dat ik nu denk: zal ik maar weer gaan?

En inderdaad, de cliënt
blijkt zijn afspraak te zijn vergeten.
Hij kan er op z’n vroegst over drie kwartier zijn.
Ik ga, maar na twintig minuten word ik alweer teruggebeld:
hij is bij de receptie, halsoverkop gearriveerd,
of ik niet alsjeblieft nu kan komen?
Dus keer ik om, en terwijl ik door de stad fiets,
vraag ik mij af hoe het gesprek te beginnen.
Vandaag heb ik een heel strak schema.
Dit is echt volstrekt ondoenlijk.
Zal ik me maar overgeven aan Murphy’s law?

Kennelijk moet ik mijn klok en mijn hoofd
vandaag even anders zetten.
Zodra dat gelukt is, dwalen mijn gedachten af.

Als ik binnenkom, word ik door cliënt begroet,
hij biedt mij duizendmaal excuses.
Geen probleem,
ik kan het in zijn ogen zien.

Soms heeft iemand gewoon even tijd nodig.
Die gaf ik; ik kreeg er een blog voor terug.

Geheugen

Dankzij alle innovaties
heeft een mens anno nu
eigenlijk geen geheugen nodig.

Geheugen is zelfs ongewenst,
het maakt immers dat je achterloopt.
Zo stapte ik laatst in de verkeerde bus
omdat ik me herinnerde
dat die voor de deur van mijn opdrachtgever stopte.

Maar nu neemt diezelfde bus
een heel andere weg.
Met iedere bocht die we doorgieren,
groeit de paniek in mijn keel.
Wat niet helpt, is dat m’n telefoon mij vertelt
dat de dienstregeling veranderd is
en dat ik, als ik niets onderneem,
een kwartier te laat
en een kilometer te ver
in de stad zal worden gedropt.

Gelukkig heeft mijn klant begrip
en dankzij alle apps en websites
met accurate informatie
valt de schade bij aankomst mee.

Een week later moet ik met de auto
naar een plek waarvan ik al rijdend ontdek
dat die door wegwerkzaamheden is omsingeld.
Als ik de navigatie goed beluister,
mag ik nog een paar dagen rondjes rijden.
De iPhone doet heel erg zijn best,
maar kan mij evenmin de weg
langs de versperringen wijzen.

Ik ben het ontwend, maar vraag de weg
aan een aardige meneer op straat.
Hij moet er even over denken.
Het is een hele reeks van links en rechts,
maar hij is gerust bereid
om die hardop en tegelijk met mij
drie keer te herhalen.

Gespannen tel ik: nu rechts, nu links,
mijn handen klemmen om het stuur.

De rit heeft tergend lang geduurd
en ik moet er heel gestrest uit hebben gezien.
Maar gelukkig heb ik m’n geheugen nog;
mijn bestemming is bereikt.

Rood

Plotseling hebben we een extra auto nodig.
Gelukkig staat de Greenwheels vlakbij
en is hij met m’n NS-abonnement
eenvoudig te reserveren.

Je mag er een kwartier eerder in,
zodat je goed kunt zien hoe alles werkt.
Ik vraag me af hoe ingewikkeld het kan zijn:
ruitenwissers, richtingaanwijzer,
wie heeft daar in hemelsnaam een heel kwartier voor nodig?

Gelukkig heb ik voorafgaand aan mijn rit
de reiskosten al moeten begroten,
zodat ik me op tijd realiseer dat ik zelf
– met of zonder telefoon –
tomtom zal moeten spelen.

Even kijken en ik rij weg, de tank zit vol.
Een wendbaar koekblik met niet heel veel kreukelzone.
Het schakelen is even wennen,
lekkere herrie, net als vroeger.
Waar zit hier de cruise control?
Autorijden is weer een sport.
Doe mij de Greenwheels maar,
dit gaat prima.

De terugrit is ’s avonds laat.
Waar zit het licht?
Ik stap uit en zie de koplampen schijnen, dus dat zit goed.
Heeft dit ding ook nog zoiets als dashboardverlichting?
Ach, ik kan wel zonder, ik rij zelden te hard
en volgens mij zie ik precies genoeg om m’n snelheid te checken.

Iemand die me inhaalt geeft lichtsignalen.
Geen idee waar hij over zeurt,
m’n snelheid is oké, ook niet te zacht.
Hij moet het zelf maar weten.

Bij de tweede die me inhaalt met lichtsignalen,
probeer ik oogcontact te krijgen.
Wat ziet hij dat ik niet zie?
Ik kan hier nergens stoppen,
er komt toch hopelijk nergens rook uit m’n auto?

Vijf kilometer verder
ontdek ik waar de dashboardverlichting zit.
Plotseling zie ik binnen en buiten
drie keer zoveel als daarvoor.
Ik giechel van de schrik en kan mezelf wel voor m’n kop slaan.
In onze eigen auto hebben we de juiste lampen
altijd automatisch aan staan.
Gelukkig was de weg tot nog toe verlicht,
maar aan mijn man en kinderen
durf ik dit, heel eerlijk gezegd,
nog eventjes niet te vertellen.

Drie weken later ga ik weer met de Greenwheels op pad.
Als ik de provinciale weg op rij, zie ik
– jee, wat grappig –
nog een rode Greenwheels-auto.
Achter mijn collega aan
rij ik op het stoplicht af.
Zij lijkt rechts voor te sorteren,
maar zwiept op het allerlaatste moment
vlak voor mijn wielen twee banen naar links
om naast mij voor het rode licht tot stilstand te komen.
Nou ben ik niet zo’n toeteraar,
maar ik ben me wel rot geschrokken.
Ik probeer oogcontact te krijgen.

Maar als ik naar haar kijk,
zie ik twee handen stevig vastgeklemd om het stuur,
een rechtop zittende rug,
een hoofd dat zo ongeveer tussen de knieën verdwijnt
en ogen die volledig worden opgezogen
door een voorwerp op haar schoot.
Als ze opkijkt, kijkt ze opgelucht naar de blauwe borden.

Geen gebaar van mij kan deze dame behoeden.
Zou het haar eerste rit met de Greenwheels zijn?
Terugdenkend aan de koplamp-affaire
voel ik mijn wangen lichtjes gloeien.

Als ik optrek, is daar opeens de gedachte:
Ach weet je, het uiterlijk van die Greenwheels-auto’s,
je kunt ervan vinden wat je vindt,
maar qua reclame en puur pragmatisch gezien
is die helder-signaalrode kleur
misschien niet eens zo slecht gekozen.

Kompas

Er is een woord met een p dat ik niet graag gebruik
omdat er een zekere minachting in doorklinkt
voor middelbare scholieren.

In hoeverre heb je recht van spreken
over iets waar je slechts zijdelings toeschouwer van bent?

Kun je over middelbare scholieren praten
– neerbuigend of niet –
als je zelf niet dagelijks met ze samenleeft?

Welnu, de heugelijke tijd begint aan te breken:
zoetjes aan worden mijn kinderen oud genoeg
en mag ik er voorzichtig iets over zeggen.

Redenerend vanuit mijn eigen situatie
– wie denkt en leeft er immers niet vanuit zijn eigen cocon? –
kan ik u zeggen dat mijn biologische functie
van ‘hoedster’ in ‘voedster’ is veranderd.
Ik sleep steeds meer eten naar ons huis
dat met steeds grotere snelheid wordt verorberd.

Waar vroeger op mijn kompas werd gevaren,
kiezen mijn middelbare scholieren hun eigen route
op basis van een kompas dat niet bepaald noodzakelijk
dezelfde kant op wijst als dat van mij.
Gelukkig maar.
Wat voor de een werkt, werkt vaak niet voor een ander.
Wie zijn zienswijze op wil dringen, wacht een muur.

Maar wat ik nooit had verwacht
is de waarde van hun blik.
Eerlijke observaties
loepzuiver, glashard
niets en vooral mij niet ontziend
meestal met humor
altijd met liefde
– al moet ik daar soms even op wachten –
pijnlijk helder gezien en belicht vanuit de jongerenwereld van vandaag.

Lach om jezelf: jongeren zijn de toekomst.

Zijn wij hun kompas
of zijn zij dat van ons?

Poweryoga

Het eerste cadeau voor mijzelf dit nieuwe jaar:
een bezoek aan een goede fysio.

Wat eraan scheelde?
Nou, eigenlijk niets.
Ik vond mezelf een beetje een zeur.

Na elke training: pijn aan mijn rechterbeen.
Twee dagen later: niks meer aan de hand.
Dus maar gewoon weer lekker trainen,
dan weer twee dagen wachten…
enzovoorts.

Die cirkel ging ik doorbreken.
Op naar de fysio voor een bewegingsadvies.

Ik kwam met oefeningen thuis.
Een week later was het praktisch voorbij.
Wat volgde was nog één massage
en het advies om naar yoga te gaan.

Dat was slikken, ik ben niet zo’n yogatype.
Dus daar zat ik, onwennig op een matje,
vastbesloten om overal voor open te staan.

Je begrijpt: dat heb ik geweten.
Na de les hoorde ik dat het eigenlijk poweryoga was.
Waarom zeggen ze dat soort dingen er nooit bij?
Bij ons in het dorp zijn het niet van die softies.
Gewone yoga, begrijp je, daar doen ze hier niet aan.

“Hoe vond je het?” vroeg de lerares.
“Ach, ik voel me wel oké, geloof ik.
De vraag is hoe ik me morgen voel.”

Ik ben maar even vroeg gaan liggen.
Morgen is inmiddels vandaag.

Toen ik opstond ben ik een softie geworden.
De poweryoga heeft me goed gedaan.

Goede voornemens

Als je altijd met verbetering bezig bent
– en wie is dat eigenlijk niet?
is de aanloop naar oudejaarsavond een beetje overbodig.
Je goede plannen zijn er immers elke dag.
Desondanks probeer ik een goed voornemen te bedenken.

Als ik mijn verbeterplannen naga,
zie ik nog genoeg te doen.
En overal wordt aan gewerkt.
Natuurlijk: alles op zijn tijd
en alle dingen in hun mate.

Zou het dan zowaar mogelijk zijn
dat ik dit jaar geen extra goede voornemens heb?
Dat ik gewoon tevreden terugkijk
en zeg: natuurlijk, genoeg te doen,
maar op zich ben je best lekker bezig?

O nee, gelukkig, we blijven kritisch.
Voor 2018 heb ik er twee bedacht.

Het eerste: langer genieten van succes.
En wel te beginnen op oudejaarsavond.

Het tweede: positief formuleren.
Waarom zou ik daar niet vast mee beginnen?

Welnu, de woorden ‘goede voornemens’
gaan stante pede mijn voortuintje uit.
Goede voornemens smaken naar spijt, schuld of berouw.
Goede voornemens gaan vaak over iets wat een mens,
gewoon omdat hij menselijk is,
nu eenmaal niet kan laten.

Vaarwel, goede voornemens,
ik hoop jullie nooit meer terug te zien.
Voortaan maak ik een nieuwjaarsplan.

Eitje

Vandaag ga ik boven mezelf uitstijgen.
Ik ga een elevator pitch bedenken,
ondanks de enorme weerstand die ik voel.

Natuurlijk is het schitterend als je je product in tien seconden hapklaar aan de ander aan kunt bieden. Maar de grens tussen iets aanbieden en iets ongevraagd andermans gezicht in duwen, wordt in mijn ervaring niet door iedereen even goed bewaakt. Ik verleid de ander liever tot belangstelling.

Maar ja, ieder mens is anders. En weten wat je te bieden hebt, kan ieder gesprek alleen maar ten goede komen. Daarom ga ik vandaag de confrontatie aan.

In glashard Excel schrijf ik op wat ik goed, en minder goed kan.
Input van anderen wordt stap twee.
Mijn gedachten positief formulerend, kom ik tot vier categorieën.

Goed: wat doe ik goed voor opdrachtgevers?
Plus: waar zit mijn toegevoegde waarde?
Rekening houden met: wat zijn mijn keerzijdes die ik moet zien te ondervangen?
Nog groeien in: welke kennis of vaardigheden zouden mij verder helpen?

Schrijvend en schrappend ontdek ik mijn zelfbeeld.
– Ongelofelijk wat positief verwoorden kan doen. –
Gaandeweg komt de waardevolle professional naar voren
die ik ben en die ik kan zijn.

De belangrijkste vaardigheid die mij verder kan helpen
is – denk ik – mijn aarzeling achter me laten,
evenals mijn weerstand tegen de elevator pitch.

Algooritme?

Ze bepalen deze tijd: algoritmes.
Al die businessmodellen gebaseerd op een algoritme
dat mij zo veel mogelijk tijd moet laten doorbrengen
met deze machine, deze app, of op deze website.
Omdat bewezen is dat ik dan ook meer ga kopen.
De gokkast die klanten precies op tijd een hamburger aanbiedt,
zodat ze langer achter de machine blijven zitten.

Hoe ga ik bewust met verslaving om? Hoe wapen ik mij ertegen?
Weet je wat, ik doe er gewoon niet aan mee. Alle meldingen zet ik uit, ik meld me voor alle nieuwsbrieven af. Ik ga wel sporten.

Tot die ene, regenachtige zondagmiddag.
Ik sta een paar maaltijden vooruit te koken.
Achteloos download ik Spotify.
Ik klik mijn favoriete artiesten aan,
ik klik op shuffle…

Hoe is het mogelijk dat dit ding
zo goed aanvoelt wat ik horen wil?
Een perfect algoritme, wat een zaligheid.
Dit zou ik nooit meer willen missen.