Dier

Dierenmishandeling:
vroeger mocht het niet,
maar nu al helemaal niet.

Dolfijnen vertonen natuurlijk gedrag,
beren in het circus zijn verboden,
veel honden dragen tuigjes,
geen halsbanden meer.

Op een zomerse dag
in het Vondelpark,
zie ik een hond
in een bakfiets zitten.
Prinsheerlijk snuift hij
luchtjes op.
Zijn baas daarachter
trapt stevig door
en draagt een dikke
ring door zijn neus.

Vriend

Op mijn suptocht
over het grote meer,
kom ik nog een supper tegen;
een vrouw van mijn leeftijd.

Ze zwemt wat
en geniet van de zon,
we maken een praatje.

Als ze weer verder supt,
zie ik dat ze meer valt
dan supt.
Ze komt nauwelijks vooruit.

Ik vraag me af
waar dat aan ligt
en kijk even goed.
Haar peddel blijkt
zo kort afgesteld,
dat je eigenlijk
al in het water ligt,
voordat je met je peddel
het water hebt geraakt.

Ik vraag:
– “Wie heeft je peddel afgesteld?”
– “M’n vriend, die heeft er verstand van.”

Afval

Na de eerste week
van onze vakantie in Frankrijk
vertrekken we naar
een volgende plek.
Aan mij de schone taak
om het afval te scheiden.
Er staan verschillende containers
in allerlei kleuren
en overal staat
op z’n Frans aangegeven
wat waarvoor bedoeld is.
De informatie is heel duidelijk,
duidelijk bedoeld,
en omdat we in Frankrijk zijn,
moet de informatie
natuurlijk ook gedetailleerd zijn
én volledig.
Na een hele hoop lezen
en kijken naar plaatjes,
heb ik het helemaal door.
Natuurlijk! Logisch.

Op onze volgende plek
hebben we opnieuw
zo’n relatief keurig
afvalparkje.
Ja, nu ken ik de logica!
Dát is voor verpakkingen,
dát is restafval
en die container daar
is voor de plastic flessen.

Als we weggaan,
hebben we natuurlijk
iets meer afval,
plus de wijnfles van
onze laatste avond.
Ik kijk eens even
voorzichtig rond.
Waar willen ze hier
dat ik het glas doe?

Als ik ga lezen, blijkt dit
een ander departement,
met dezelfde containers
voor verschillende dingen.
Mijn verpakkingen van deze week
zitten bij het restafval
en de hele week
heb ik onze plastic flessen
in volle overtuiging
in de glasbak gegooid.

Hitte

Het is warm in de stad;
wat zal ik doen?
Toch maar met de fiets gaan?

Misschien moest ik het
maar niet onderschatten;
ik ga met het OV,
ondanks dat ik met
lijn 5 moet.

Lijn 5 is eigenlijk net niet wat je wil
– ik begrijp dat ik verwend ben –
maar lijn 5 gaat net niet vaak genoeg
en je hebt het er in de winter altijd koud
omdat er veel deuren in zitten
die overal opengaan.

Maar zou dat niet
in de hitte
fijn kunnen zijn?

Vooruit, ik neem lijn 5
en blijf zo stil mogelijk zitten.
Adem in, adem uit,
bij elke halte wordt het warmer.
Ik vrees dat dit warmer is
dan de fiets,
maar niet zeuren, blijf ademen,
je doet enorm verstandig.

Als we er bijna zijn
loop ik om tijd te besparen
langzaam de tram door
naar de achterste uitgang.

Bij de tweede wagon
daalt de weldaad van een airco
op mijn schouders neer.

Bijvangst

Tijdens mijn sup-tochtje
in de vroege ochtend
zie ik een paar vissers
in de verte.

Hun bootje ligt precies
op mijn optimale vaarlijn;
in de luwte, aan de rand.

Als ik daar
ruim voorlangs moet,
vanwege de hengels en dobbers,
grijpt de wind mij ongetwijfeld
en lig ik zo aan de andere kant
van het meer,
daar waar ik niet wil zijn.

Gelukkig blijkt er nog wat ruimte,
precies tussen hun bootje
en het riet.
Pas als ik op twee meter ben
krijgt een van de heren op leeftijd
mij en m’n sup in de gaten.
Hij geeft zijn maat een por en zegt:
“Pak jij het schepnet?
We hebben beet.”

Zomer

Na een heerlijke middag
op een zoetwaterstrand,
fiets ik relaxed naar huis.

Achter me hoor ik
hitsige geluiden
van een brommer,
of zijn het er meer?
Op hetzelfde moment
krijg ik een tegenligger:
een rood busje
komt met lekkere vaart
regelrecht op me af.

Het past precies
op dit weggetje.
Ware het niet dat het gegons
van de brommers achter me
iets te snel
steeds luider wordt.

Ik kijk om,
bij wijze van:
je ziet toch wel
dat dit niet past?
Maar ik zie twee ogen
zonder helm
vastberaden om
met man en macht
en met zijn twee volgelingen
in het niet-bestaande gat te duiken.

Ik krijg een duw,
niks aan de hand.
En tot mijn stomme verbazing
past de eerste van de drie brommertjes
in het niet bestaande gat.
Tenminste…
in het voorbij scheuren
hoor ik een keiharde klap.
Hier is iets geraakt.

In haast probeer ik
van de laatste brommer
het nummerbord te onthouden.
Maar tegelijk voel ik me schuldig;
de eerste is altijd de aanstichter,
en de laatste wordt gepakt.
Werk ik daaraan mee?

Gelukkig rijdt het busje gewoon door.
Pas als ik omkijk,
begrijp ik waarom:
als ik het een beetje inschat
is het busje ongeveer net zoveel waard
als die opgevoerde brommer.

Schaap

Vandaag is een warme dag,
langzaam fiets ik naar m’n werk
langs een schapenweitje.

Een grote groep schapen
staat in de zon.
Als ik langsfiets
zet één van hen
het keihard op een rennen.
Een ander schaapje
rent er achteraan,
al twijfelt ze wel een beetje.

De twee ontsnapte schaapjes
zijn in de schaduw aanbeland.
Het schaapje dat het hardste rende
zet het op een blaten.
‘Kom ook in de schaduw!’ hoor ik,
‘Het is hier lekker koel!’

De grote kudde blaat terug,
keurig netjes,
één voor één:
‘Nee joh, tuurlijk niet!
Het gras is hier veel beter!’

Dan hoor ik het geblaat
van een schaap dat ik tot nog toe
volledig over het hoofd had gezien.
Zij staat in haar eentje
aan het eind van de wei
bij de drinkbak.
‘Jullie zijn allemaal sufferds’ – hoor ik,
‘Kom toch hier in de schaduw staan,
bij het water!’

Jammer genoeg heb ik geen tijd
om af te wachten
waar de kudde
uiteindelijk besluit
te gaan staan:
democratie.

Bel

M’n fietsbel is kapot.
Al een tijdje
vraag ik me af
of ik wel
een nieuwe moet kopen.
Een fietsbel
in Amsterdam
lijkt wel
uit de tijd.
Ik bedoel
de enigen
die zo’n ding
nog echt, actief gebruiken
zitten op een snelle e-bike
waarop ze meestal
harder rijden
dan een auto mag.

Dus ik,
op m’n traditionele fiets,
met een fietsbel?
Ze horen me aankomen.
En eerlijk is eerlijk,
met mijn tempo;
hoe nodig is zo’n bel
nou helemaal?

Amsterdam-Centrum,
ik zit lekker te trappen.
Een paar meter voor me
wil een dame
met de ABS-rem van haar e-bike
vlak voor mijn neus
stil gaan staan.
Ook van rechts komt er iemand
die ik te laat heb gezien.
Ik schiet in de remmen,
die piepen zo ongeveer
de hele straat bij elkaar.

Nog nooit heb ik mensen
zo razendsnel
voor me opzij zien gaan.
Bel? Neuh, dit werkt veel beter.

Trein

Soms ben ik even niet
de baas van m’n schema.
Ik ren om de trein te halen.
Yes, gelukt!
Als ik erin stap
blijft hij zelfs nog even staan.

Pas op dat moment
besef ik
dat ik ook nog
een telefoontje
moet plegen.

Ja, echt, ik bedoel:
een telefoontje.
Dit kan niet via de app of mail.

Niets irritanters
dan zo iemand
die in z’n eentje
luidkeels
zit te bellen.
Gelukkig is er niemand
op dit balkon van de trein.
Ik besluit te blijven zitten
en doe mijn oortjes in.

De trein blijft natuurlijk
langer staan dan nodig
en er stappen nog twee mensen in.
Ik kijk naar de grond,
vermijd hun blikken.
Ik ben zo’n irritante beller.
Sorry dat ik nu en hier
eventjes besta.

Na een ietwat benepen
telefoontje
durf ik omhoog te kijken.

Mijn medepassagiers
zitten allebei
zorgeloos naar buiten te staren
van onder hun over-ear
koptelefoon.

Politie

Mooi weer,
ik fiets naar de stad
over een afgelegen fietspad
ogenschijnlijk in de natuur –
de snelweg ligt op dertig meter.

Op een zijpaadje
in de zon,
zie ik een plaatje
waar je mij beslist
elke nacht
voor wakker mag maken:

een agent in zijn eentje,
stilstaand tegen zijn fietsje,
sigaretje in de ene hand,
in de andere zijn telefoon,
hij gaat er helemaal in op.
Rook kringelt prachtig omhoog
in het zonlicht.

“Jaaaa, betrapt!” roep ik
met een grijns
op mijn gezicht.

Hij schrikt en roept net iets te hard:
“Nee hoor!”
Uitgebreid begint hij
uit te leggen
wat voor nuttigs
hij aan het bekijken was.

Lachend fiets ik door.
Pas als ik helemaal voorbij ben
lacht hij met me mee.